HOME
Top

BAVEL.info

Breda over de Bredanaars

"

Aan den Lezer





     Ik heb de eer mij aan u voor te stellen. Alhoewel mijn naam u misschien wel wat vreemd in de ooren zal klinken, mijn persoon daarentegen moet u bekend zijn. Immers, geen dag gaat voorbij of 's morgens, als de klok van dm Grooten Roeland 8 uur heeft verkondigd, als bakkersknechts warme "fransjes * en dito * dubbelzinnigheden * aan de woningen der kalanten bezorgen, als melkmeisjes van huis tot huis 2 maal bellen, als de verdediger van 't vaderland kinderen naar school brengt, in één woord, als er levm in de brouwerij komt, dan verlaat uw onderdanige dimaar zijn kleine woning om ontdekkingm en onderzoekingen te doen. Geen plein, geen straat, geen steegje, geen stulpje of ik ken het. De aannemers Van Seters en Verlegh wisten juist op welk uur ik naar 't werk op de voormalige vestinggronden kwam zien, en 'k was voor hen een oude bekmde.
      De ervaringen en opmerkingen die ik in mijn 42-jarigen leeftijd vergaderde, zijn dan ook legio.
      Hebt ge, waarde lezer, mijn naam nu nog niet geraden, waarlijk, ik kan 't niet helpen.
     Mijn portret hangt, ligt of staat bij alle photographen onzer stad; mijne bemoeizucht is spreekwoordelijk geworden. Mijne haren zijn noch zwart, noch grijs, ze missen elke kleur; omdat ze den weg der vergankelijkheid zijn opgegaan. De blaauwe bril, die ik 's morgens draag, verwissel ik 's avonds voor een groenen, even als mijn vilten hoed van Segers voor een papieren van Mackenzie.
     Ik dwaal van club tot club, van sociëteit naar kofiehuis, van Piet Jonkers naar Baehr-Brunold, altijd voorzien van 2 potlooden en een pakje mail-post.
     Al wat ik in die 42 jaren heb opgeteekend wordt van af heden publiek eigendom. Natuurlijk in den stijl van Leonidas, want als men voor Bredanaars schrijft, moet het een goedkoope uitgaaf worden.
     'k Wil primo Breda vereeuwigen;
      Secundo den vreemdeling Breda doen kennen;
      Tertio den Bredanaar u schetsen in zijn goede en kwade hoedanigheden.
     Zoo ge boos wordt beklaag ik u; van complimenten ben ik een vijand en om loftuitingen geef ik geen zier. Om nut te stichten ben ik te oud en om directeur of president te spelen van een nieuwo op te rigten gezelschap, laat ik over aan champagne schenkende sladgenooten of aan Germaansche broeders.
     Vooruit boekje, ge zult uw weg wel vinden.
     En met het woord van wijlen Jan Dassen, bijgenaamd

« de Palingbijter* : «Ik zeg wat ik weet, en ik weet wat ik zeg,” wensch ik u alle heil.

"

NIEUWIGHEDEN .





     't Is gewaagd, ja vermetel, boven een hoofdstuk het woord ^Nieuwigheden^ te plaatsen.
      't Is of men aan de spreuk - Er is niets nieuws onder de zon» geen waarde hecht; 't is of men spot met de traditie. Verre van mij die gedachte.— De Bredas che Nieuwigheden zijn meestal gewone zaken, gewone uitvloeisels van gewone toestanden. De slechting der vestingwerken o. a. is reeds zoo vaak in1st en 2de Kamer, in Provinciale Staten, in Gemeenteraad, aan Table d'Hóte, in Mutua Confidentia en aan de ronde roode Tafel der ééne en ondeelbare Republiek, bij Henri Jonkers, besproken, dat ik me verpligt gevoel de Willem-, Frederik-, Hendrik- en Stationstraat stilzwijgend voorbjj te gaan, even als de nieuwe koffljhuizen en estaminets, die vóór, achter, tegenover, bij en rond het stationsgebouw als paddestoelen verrijzen.
     Daarenboven is nog kort geleden verschenen: ”De toekomst van Breda» waarin alles met talent wordt uit- en blootgelegd, —zóó zelfs,— dat die brochure niet de minste tegenspraak van onderzoekenden of niet-onderzoekenden heeft ondervonden.
     Ik leg me dan ook gaarne bij die toekomst néér en laat hier eénige bijzondere Nieuwigheden, die niets met de algemeene te maken hebben, volgen.
     Of is 't geen Nieuwigheid, als bij de uitbreiding onzer stad, als elk den mond vol heeft van Nijverheid, Volkswelvaart en Fabriekswezen, als bij die uitbreiding aan Ch. v. S. wordt ontzegd eene Leêr- looijerij op te rigten? Gelukkig dat men in den Bosch anders dacht en de bezorgdheid voor de goede gezondheid van enkele reukkeurige personen niet deelde.
     Is 't geen nieuwigheid, waarde lezer', die de Gebrre v. d. L. genoodzaakt heeft op de Groote-Markt, tegenover den geraasmakenden Grootenboer, eene smederij te stellen, nadat zulks geweigerd was in de stille Visscherstraat, waar oude vrouwen wonen, die meestal allen drie-kwart doof zijn? Maar er zijn betere Nieuwigheden, t. w .: de Nieuwigheid dat de Kon. Mil. Academie misschien weer op den ouden voet wordt ingerigt. De Nieuwigheid dat er eene Provinciale Tentoonstelling van Nijverheid in 1875 zal gehouden worden, terwijl als voorzitter van de Regelings- commissie een vreemdeling fungeert.
      De Nieuwigheid dat de Kiesvereeniging *Eendragt maakt magt» voer den afvoer van feacale stoffen en voor de straatreiniging wil zorgen,— waarbij ik den wensch uitdruk dat zij daarvan meer genoegen zal hebben dan van den uitslag der verkiezingen.
     Waarschijnlijk worden bij de aanstaande gemeente-verkiezingen de aftredende leden L. van Kakerken, F. de Gottignies en J. E. Vreede met algemeene stemmen herkozen en dat feit zal nieuw bij uitnemendheid heeten.
     Ook kunnen wij onder de Nieuwigheden de Chemische Droogwasch-fabriek van G. Pieper rangschikken, alsmede de Slagterij ten Voordeele(?) van den Werkman.
     De onmisbare Zwem- en Badinrigting behoort nog altijd tot de vrome wenschen, maar men mag niet te veel van de werkzaamheid van den gemeente-raad vorderen.
     Bij een mogelijken 12en druk van dit werkje hoop ik ook die Nieuwigheid te kunnen opnemen. Tot zoo lang geduld, waarde lezer.
     Nieuwigheden als de Katholieke Kring, de Katholieke Harmonie, enz., verdienen een afzonderlijke bespreking en wensch ik die in een hoofdstuk Muziek- en andere vereenigingen te behandelen; zij zijn uit meer dan één oogpunt waardig met zachtheid ontleed te worden.
     De goede en voor de ingezetenen vóordeelige (?) homogeniteit van bakkers, behoort, helaas! tot die zaken, die reeds lang verjaard zijn.
     Maar welke Nieuwigheid alom verbazing heeft gewekt is, de nieuwmodische zin der burgerij, Beijersch Bier te verkiezen boven den stevigen6 volksdrank, waarbij zij gezond bleef. Volgens Hartmann evenwel, is 't louter een Nieuwigheid, die niet kan volhouden.
     Bij 't uitspreken van den naam Hartmann, ontbloot ik eerbiedvol mijn kalen schedel, want de Bierkelder, onder het stadhuis, alwaar het volk, (dat is iedereen) voor 5 cent een glas oud-Bredas ch kan drinken, is een nieuwigheid, die alleen kon opkomen in het brein van den man die, door aankoop van ƒ24,000, de eenige eigenaar werd van dertig duizend loten eener Provinciale Tentoonstelling.
      't Ware te wenschen dat mijne stadgenooten iets van zijn ondernemingsgeest overnamen. De onbekende schrijver van »De Toekomst van Breda» had misschien beter gedaan met vriend H. of D. te raadplegen,, alvorens aan de Jan Salie en Droog- stoppelmannen een brochure te veilen.
      En als wij het oog laten wijden over de trotsche gebouwen en statige huizen, met en zonder balcon, waarvan voor 't meerendeel Marijnen & Zoon de scheppers zijn, dan staan wij verbaasd over de pracht en over den rijkdom door de gelukkige bezitters ten toon gespreid, maar vragen ons tevens af of het schoone gedicht » De gevels der huizen « van onzen Tollens hier soms niet zou kunnen en mogen worden toegepast.

DE JOURNALISTIEK.





     Even als alle groote en kleine steden van Nederland, heeft ook Breda zijn nieuwsbladen, die op geregelde tijden verschijnen en de gemeentenaren op de hoogte houden van 't wetenswaardige dat in Breda en Omstreken voorvalt. En dat wetenswaardige moet nog al veel aantrekkelijks hebben, want het aantal dier bladen is niet minder dan drie. Er was zelfs een tijd (2 jaren geleden), dat nog een vierde Bredas che Courant bestond.
      De waarde, die de Bredanaar aan zijn couranten hecht, kan men 't beste gewaar worden aan de wijze waarop hij ze rangschikt of nummert.
     1°, Bredas che en Oosterhoutsche Courant;
     2°, Bredas che Courant;
     3°, De Waarheid, Nieuwe Bredas che Courant.
     Men zou nu al ligt veronderstellen, dat het voornaamste orgaan belangrijker is dan de anderen, och neen,— de eenige bijzonderheid ligt in de Advertentiën.
      In Breda heerscht weinig of geen politiek leven; • de ultramontaansche partij is meester van het geheele terrein, en wee den stadgenoot die 't wagen durft zulks stoutweg te loochenen, of zoo onbegrijpelijk is dat niet in te zien.
     De redactie van de Bredas che en Oosterhoutsche Courant heeft den toestand goed begrepen. De inhoud van haar blad bestaat:
     1°, uit ongelukken en vreeselijke voorvallen;
      2°, uit gemeente-nieuws;
     3°, uit advertentiën. En, naar mijn bescheiden meening, zou de Uitgever een dwaas zijn als hij' in 't minst' zijn gemakkelijk programma wijzigde. Hij maait waar anderen gezaaid hebben, in tegenstelling met de schrift, en laat verder violen zorgen.
     De Bredas che Courant, ook de oude genoemd, helde vroeger veel naar de Conservatieve zijde over, maar beweegt zich den laatsten tijd op vrijzinnig gebied. Haar ouderdom wordt niet geëerd. De bejaarde juffer wordt bijna niet'meer aangesproken, en alhoewel zij soms nog teekenen geeft, dat het vuur der jeugd niet geheel is uitgedoofd,— 't helpt niemendal.
     Toch waren de denkbeelden, door haar in den laatsten tijd den Bredanaars blootgelegd, een beter lot waardig geweest, 't Verwondert mij dan ook niet dat hare leading-artikelen hoe langer hoe zeldzamer worden en zij weêr den ouden weg opgaat.
      De Waarheid is van een ander alooi. Ultramontaansch, onverdraagzaam in den uitgestrektsten zin, ziet en verkondigt zij slechts heil in hare leus, hare beginselen, hare partij.
     Zij strijdt met open visier, maar op de wijze der bewoners van achterbuurten. Zij ontziet niets— zij wil heerschen. En toch heerscht zij niet. Ultramontanen van 't zuiverste water vinden haar te heftig en loochenen zooveel mogelijk haar bestaan.
     Hare kolommen moesten opgevuld zijn met advertentiën als orgaan van een overmagtige, alles beheerschende partij,'maar— juist het tegendeel. Zij wordt zelfs meer door Radicalen dan door Ultramontanen gelezen'. Aangevallen wordt zij nooit, en de handschoen, welken zij enkele malen zuster- bladen toewerpt, wordt nooit opgeraapt. In 't kort: al zijn hare artikelen soms met onmiskenbaar talent geschreven,— zij blijft wat zij was— niets.
     Eenige jaren geleden bestond er in Breda, zooals ik hierboven schreef, een 4de courant, 't Was de Berigtgever. Dat blad begon met de kermis, was vrolijk tot uitgelatenheid toe, en niettegenstaande zijn onophoudelijk veranderen van formaat, gaarne gezien en gelezen. Maar de duivel der eerzucht bezielde die redactie. Zij dacht zich geroepen tot vaandrig van 't liberalisme, streed enkele maanden, onvermoeid en onbezonnen en ontsliep met gullen • lach bij 't einde der Schuttersfeesten tot groote stichting van alle deugdzamen (!), nog na haar dood vervloekt door de braven van de Rozendaalsche Grondwet, die zich noemen de ware geloovigen— maar in wier dictionnaire het woord liefde geschrapt is.

BREDACHE TYPEN.





Ik geloof niet, waarde lezer, dat er ééne plaats in Nederland is, waar zóóvele zonderlinge en eigenaardige tijpen van 't menschenras zijn, als in Breda.
      Amsterdam alléén zonder ik uit, maar de hoofdstad van 't Rijk is te groot om die tijpen op te merken.
     Waan echter niet dat ik u Caricaturen zal schetsen, dat mijne typen slechts zullen bestaan uit de heffe des volks; neen— dan hebt ge nooit rekening gehouden met de roeping van den geschiedschrijver en, —een beroemd schrijver heeft het gezegd,— die is heilig als de assche onzer vaderen.
     Mijne tijpen bestaan uit patriciërs en uit plebejers, zonder aanzien van rang, stand of beroep. Al noem ik hun namen niet, ge zult ze kennen uit duizenden en duizenden.
      Allen kan ik geen plaatsje inruimen, 't nederig boekje zou dan een lijvig boekdeel worden. Ik zal mij daarom tot de belangwekkendste of hoofdtypen bepalen.
      Waarde lezer! Een heilige siddering overvalt mij, nu ik op het punt sta, de bekende namen ter neêr te schrijven, 't Is of mijn verleden, mijne jeugd, terugkeert.
      't Is of de geest van gekke Ant, Ampie en Mecheltje Hogardie mij omzweven; 't is of de schim van Piet Put en Heinpik mij aanmoedigen.
     't Is of ik mij wéér bevind in den -Hoekzak*, te midden van levenslustige vrienden, die al de geheimen dezer en der andere wereld openbaarden.- De meesten hunner, helaas! zijn niet meer, zij zijn den weg ingegaan van alle vleesch.
      't Is of mevrouw de Bakker en vrouw van Lengen een fantastisch duo uitvoeren, de eene in Genoveva's « costuum voor de open raam, de andere op het dak van het koflijhuis Schotland.'
     't Is...... maar gaan wij over tot de werkelijkheid. Van de op 't oogenblik in Breda bestaande tijpen, is voorzeker wel de oudste en merkwaardigste:
      De —neen, 4de naamval— Den Brok.
      Toen ik 7 jaar oud was, dus 35"jaar geleden, ontmoette ik hem reeds eiken dag, somtijds zelfs 3 of 4 malen daags. Hij zag er toen niet anders uit als nu. Als hij 's zaturdags na den middag bij J an van Turnhout ons, lieve kinderen, kwam opzoeken, om godsdienst en deugd in onze nog onbedorven hartjes te prenten, kon ik uren lang luisteren naar zijn eigenaardige toespraken, en zijne diepe zware stem klonk mij des Zondags nog in de kleine óoren.
      Toch was ik bang van hem. Niet zoo zeer van zijn gelaat of zijne gebaren, maar van de onophoude­lijke bedreiging mij in zijn grooten achterzak te stoppen. Die zak, waar snuifdoos, zakdoek, bril, brokken, knoopen en de meestuiteenloopende zaken vreedzaam bij elkaêr lagen, scheen mij donkerder dan den ingang van den Styx. Maar toch, we hielden van hem. Nooit ontmoetten wij hem of hij had een goed woord voor ons over. Hoe menigmaal stond hij met ons bij Stanske's kruiwagen en zorgde dat wij geen onrijp fruit kochten.
      En trokken wij hem ook al eens bij zijn jas, of vergaten we ons zoo zeer door 't werpen van een sneeuwbal naar zijn eerbiedwaardig hoofd,— erg boos heb ik hem slechts éénmaal gezien.
      Ik was toen de kinderschoenen ontwassen. Hij hield een paardje, zóó klein en zóó aardig, dat de kinderen dachten, dat hij 't bepaald voor hen gekocht had. 't Was zóó klein, dat het buiten de belasting zou hebben moeten vallen. Nu, met dat zelfde paardje waren eens 3 ondeugende knapen op den loop gegaan. Dat was 't ergste niet, maar de knechts van moeder Van den Brink stonden er bij te lagchen,— ziet ge, dat was leelijk, erg leelijk. Al de huisgezinnen, waar hij die week thee dronk en familiaar een boterhammetje bleef eten, gaven hem gelijk. Nu houdt hij geen paardje meer.
      Maar wandelen doet hij nog even graag. Hij vraagt naar den prijs van den visch, informeert13 naar de nieuwtjes, is altijd nog even vriendelijk met de kinderen, doet nieïnand kwaad en draagt zijne jaren met eere. Met politiek bemoeit hij zich nooit en heeft een grooten afschrik van brand.
      Hij is tevreden met weinig, is droog komiek als men kermis bij een geestelijken viert, is niet trotsch of eigenzinnig en heeft allen aanleg 100 j aar oud te worden, 't Zij hem van harte gegund. Een ander eerbiedwaardig oud man, die in een algemeene bekendheid zich mag verheugen, en een zeer belangrijke tijpe uitmaakt, is «de Fransche Monsieur.
      Zoo gij, waarde lezer, het genoegen hebt niet met jicht of podagra gekweld te' zijn, moet ge Vader J....... ontmoet hebben. Mist ge dat genoegen, toch zult ge dikwijls van hem hooren spreken, want de brave man heeft veel gelijkenis met den kluizenaar wijlen d'ARLENcouRT; — hij weet alles,— ziet alles,— is overal.
      Inderdaad, overal komt men Vader J....... met zijn onafscheidbaren wandelstok tegen, zelfs op concert of bal. Maar wij moeten erkennen, indien hij een groot liefhebber van muziek is, ook van Offenbachiaantjes ; op het bal danst hij nooit, maar stelt zich tevreden dit anderen te zien doen, en mogt een of ander geestig heertje hem soms toevoegen : "Allops, oude, een enkele galop,» dan klinkt Vader J........'s antwoord: »Ik houd niemand voor den gek, en wil 't dus ook niet gedaan zijn;» waarna hij zich eenvoudig verwijdert.
      In 't kofïijhuis komt hij veel, buitengewoon veel, met stok en bril gewapend, steeds,druk bezig de couranten door te snuffelen, maar vertelt zelden iets van den inhoud.
      In een politiek gesprek mengt hij zich nooit, en mogt hem bij toeval zijne opinie gevraagd worden, 't luidt onveranderlijk: „Als Franschman hen ik te weinig met uwe zaken bekend en ik zal dus zoo vrij zijn mij er buiten te houden.
      Te loochenen valt het niet, maar Vader J .......... koestert een zeer groote genegenheid voor Nederland en de Nederlanders, vooral voor zijn Breda, 't geen blijkt uit zijn veelvuldige geschriften en gedichten.
      Er is dan ook geen feest, geen gewigtige gebeurtenis, geen Vaderlandschlievende herinnering of Vader J .......... heeft de lier besnaard en biedt iedereen een inteekenlijst aan op een gelegenheids- brochure. 't Zou mij niet verwonderen dat hij altijd eenige, stukken in voorraad heeft. Hij is zijn eigen uitgever, zijn eigen colporteur, zijn eigen kassier.
      Zoodra 't feest is afgeloopen, herneemt de oude monsieur zijn oude gewoonten, spreekt-met eenieder, maar houdt met niemand intieme kennis.
      Mogt dan ook al een origineel zijn, een menschenhater kan men hem niet noemen, want aan opgeruimdheid en bon mots mangelt het den goeden heer niet; ook is 't geen kluizenaar uit den ouden tijd, tevreden met een glas water en een stuk zwart brood; integendeel, hij heeft liever zijn klein glaasje en iets van't varken. Waarlijk, hij versmaadt Bredas ch bier en Schiedamsch bitter niet.
     's Avonds heeft hij zijn vast drankje rouge sucré. Ik geloof dat hij daarvan zooveel kan drinken als hij wil, want nooit zag ik hem een glaasje van dat goedje weigeren.
      Wees zoo goed, waarde lezer, hier op te teekenen dat Vader J .......... ,altijd accepteert, maar nooit offreert.
      Dit is bekend bij alle habitués van de Beurs. Rouge Sucré en l'Indépendance Beige, ziedaar twee groote zaken voor Vader J ..........
      In die twee kleinigheden ligt zijn geheim.
     Binnen kort verhaal ik u zijn gansche geschiedenis. Een derde tijpe, die met de vorigen niets gemeens heeft, is: Gieleken, meer bekend onder den naam van Gekke Giel.
      Wie zoo dwaas geweest is hem met dien naam te bestempelen, weet ik niet,— maar ik ken in gansch Breda niemand, die zoo goed het dolce far niente begrijpt. Hoe oud hij is kan niemand met mogelijkheid bepalen. Men schat zijn leeftijd tusschen de 20 en 60. Gekleed met zes blaauwe kielen, zomer en winter een polderdas om den hals, altijd pratende en pruttelende, wandelt hij door 's Heeren straten, speelt met kinderen, gekscheert met dienstmeisjes, haalt water aan voor de water- en vuurvrouwen, draagt talhout naar binnen, doet boodschappen voor de voerlieden en is altijd in een en hetzelfde onveranderlijk humeur. Zijn bezoek in de huizen der kalanten begint en eindigt met den tijd dat er kofflj gedronken wordt.
      Het antwoord dat hij geeft op de vraag wat hij liever heeft -een dubbeltje of een boterham- is bekend.
      Men zegt dat hij een mooi spaarpotje heeft, 't geen zijn familie echter betwijfelt. Hij is goed voor alles, of liever deugt voor niemendal. Zijn hoogste illusie is kadet te worden, maar hij is te schuchter om examen te doen. Honden en katten zijn hem een gruw el; immers zij eten, zegt hij, mijn regtmatige portie op. Hij is de echte tijpe van een Lazaroni, met de tronie van een Laplander.
      De naam van Gekke Giel is zijn alles, daar woekert hij meê. Hooge ernst straalt uit al zijn woorden, maar, ach! de wereld begrijpt hem niet. Eindelijk— hij is een onverklaarbaar wezen.
      Een minder gunstig bekende, ja beruchte tijpe is : Prins Karel. Geen vast bedrijf uitoefenende, maar steeds azende om gemakkelijk en eerlijk(?) geld te verdienen, was hij voorheen de plaag der com­miezen, de leider der smokkelaars, de ziel van elke handeling die sluwheid en kracht vordert.
      De medaille van trouwen, langdurigen dienst mag men hem gerust uitreiken, maar den ouden mensch heeft hij nog niet uitgeschud.
      De anecdoten die men van hem verhaalt zijn talrijk. De ontmoetingen door hem bijgewoond17 meer dan menigvuldig. Maar 't lust mij niet lang bij dat wezen stil te staan. Hij late ons met rust en daarmeê— Basta.
      Nu we kennis gemaakt hebben met de mannelijke tijpen onzer stad zullen we tot het vrouwelijk per­soneel overgaan. Veel merkwaardigs levert het schoone geslacht daaromtrent niet op. De zedigheid, huisselijkheid en andere deugden der moderne Eva eigen, zijn daarvan oorzaak.
      Geëmancipeerde vrouwen die bittertjes drinken, biljart spelen en voordragten houden, student zijn in de medicijnen of in de theologie, 't beroep uitoefenen van metselaar of schoorsteenveger, kadet of leerling aan de hoogere burgerschool zijn, vindt men in Breda nog niet. Wel zou ik u kunnen aanwijzen, tijpen van schoonheid, tijpen van geleerdheid, tijpen van zelfopoffering en helaas! ook tijpen van ontaarding en zedeloosheid, maar waar zou ik eindigeii? in lieftalligheid, in goeden smaak kan de Bredas che maagd wedijveren met hare zuster in binnen- en buitenland.
     't Zijn meest allen brave echtgenooten en goede moeders— ook geen tijpe van een Kenau Hasselaar, .een Anna Maria Schuurmans, enz.
      Maar ééne vrouw is er, uitmuntende door vlijt en werkzaamheid, in den nederigsten stand levende, onmisbaar voor iedereen, van 's morgens vroeg tot in den nacht hare diensten verrigtende, die ik u moet voorstellen en doen kennen.
      Omstreeks 65 jaar oud, lengte meer dan middelmatig, gekleed in jak en rok van dubbelzinnige kleur en stof, een half Bredas che-, halfMeijerijsche muts op het hoofd, zwarte manchetten aan de handen om de kracht der spieren te versterken, zuur en onbevangen uiterlijk, een zwaren wagen voortduwende, waarop een groote ton met water en een spuit om glazen te wasschen,' prijken; zóó en niet anders is uw conterfeitsel, vrouw Den Hojjp, op den dag; want 's avonds na elf, uur wordt de spuit te huis gelaten en zorgt uwe onvermoeidheid voor de regelmatige ruiming van faecale stoffen.
      Ge wordt oud, brave, werkzame ziel en binnen kort tvelligt zult ge moeten leven van de algemeene liefdadigheid.
      Zonder hulp van iemand voorzaagt, ge tot hiertoe in de geringe behoeften van u en uw huisgezin en ge zult volhouden tot gij er bij neervalt. Wij • zullen u echter niet vergeten.
      't Oude vrouwenhuis moet u, zal u den rustigen ouden dag schenken, die gij zuur en zwaar verdiend hebt. De reclame, die ik heden voor u schrijf, zal, 'k weet het zeker, weêrklank vinden in de welgezinde harten mijner stadgenooten.

SOCIËTEITEN, MUZIEK -
VEREENIGINGEN, enz..





     't Is zeker geen gemakkelijke taak, waarde lezer, als beoordeelaar op te treden, van de gezelschappen die onze stad versieren en ontsieren, 't Is moeijelijk, voorwaar, eene onpartijdige uitspraak te doen over die kringen die wij slechts bij naam kennen, die alleen den ingang openen voor brave geloofsgenooten, op wier openbare handel en wandel geen smet of vlek kleeft.
      En toch, nu mijne pen eenmaal over 't glansend papiervlak glijdt, moet ik voort, altijd voort op de glibberige baan, zonder angst, zonder beven. De waarheid zooveel mogelijk te behartigen is de pligt van den historieschrijver, en alhoewel ik mij niet vermeet met dien grootschen titel te pronken, matig ik mij toch de eer aan de waarheid te kunnen en te durven zeggen.
      De Groote Sociëteit, ook wel Officiers-Sociëteit genoemd, is voorzeker de eerste vereeniging van Breda. De patriciër, de parvenu, de Oostersche Nabob, de surnumerair bij belastingen of posterijën, de advocaat, de notaris, de burgemeester, de wethouder, de bankier, enz., 't komt er altegaêr.
     De burgerman, die door vlijt, spaarzaamheid of gunst der fortuin een mooi duitje verkregen heeft, maar Bredanaar was en bleef, schijnt geheel anders beschouwd te worden, dan de onbekende,. die in overzeesche streken of vreemde landen op eene wijze, even onbekend als zijn naam, geleefd heeft.— De laatste wordt met open armen ontvangen, de eerste— gedeballoteerd. De inrigting echter is goed. De liefhebber van degelijke lectuur kan er uren doorbrengen zonder aan heêngaan te denken. De leestafel munt uit door verscheidenheid,— de conversatietoon door eentoonigheid. Men wantrouwt elkaêr. De liberaal ziet zijn buurman voor een ultramontaan, de clericaal daarentegen zjjn overman voor een athéist aan.
      De laatste stemmingen droegen dan ook den stempel van een zeer onverdraagzaam karakter.
      Kunde en gezond verstand worden er dan ook niet als hoofdzaken, maar als bijzaken beschouwd. In iets echter is men achteruit-, of liever vooruitgegaan. De speeltafeltjes zijn niet meer zoo laat in den nacht bezet als vroeger, en mogt ook den een of anderen verslaafden speler zulks hinderen,- 't is een bewijs dat er misschien mogelijkheid bestaat dat die kanker eenmaal zal worden opgeheven. 't Reglement veroorlooft evenwel die valsche weelde en daar zit hem juist het gevaar. De sociëteit heeft daarenboven nog een park in 't Valkenburg, 's zomers op vaste tijden voor de leden geopend, 't Is wel niet groot, wel niet chique,— maar 't is iets.
      Toch moet ik vaak lagchen als ik de beaumonde van Breda daar vereenigd zie. 't Is of men zich bevindt in een vreemde plaats, onder vreemde menschen. 't Is er zelfs geheimzinnig. Men smeedt er kleine, meest onschuldige intrigues; men verlooft jonge dames aan galante heertjes; men wikt en weegt elkaêrs fortuin; men schat de prijs van een japon en 't bedrag van een inkomen; men is. niet natuurlijk.
      Een mijner vrienden noemt het de voorbereidende school van de Casino's, en waarlijk, beide gaan dikwijls nog te veel mank aan dezelfde stijve, onbehagelijke toon en nog meer onbehagelijke complimenten, 'tgeen van 't Casino vooral zeer te bejammeren is.
      Neen, — dan liever naar * Aurora*. Daar heerscht een meer bezield, een meer opgewekt leven. Men heeft een doel, een edel doel, en niemand zal mij tegenspreken als ik die Zangvereeniging noem: een der beste, gezondste en krachtigste gezelschappen onzer stad, die onder bekwame leiding meer en meer bijbrengt tot waar genot.
      De Koninklijke Harmonie Vlijt & Volharding met haar prachtig verleden, leerde ons in den laatsten tijd menigmaal, dat alles op deze aarde vergankelijk is. Haar heden is dan ook niet zonder zorg. Met een ruime kas en een groot aantal leden is zij veel moeijelijkheden te boven gekomen, maar de kern der vereeniging, het werkend personeel, is niet meer door den geest van den nog diep betreurden directeur Wijmer bezield.
      Wat wordt er voor de opleiding van jonge werkende leden gedaan? Laat men bijna niet alles over aan de gesalarieerde leden, die niet allen evenveel voorliefde voor de Koninklijke koesteren?
      Schijnt het geen feest te zijn als de appel der tweedragt in de vergadering wordt geworpen? Maar genoeg. • Rust niet op de vroeger verkregen en verdiende lauweren, gij Harmonie Vlijt & Volharding, bouw niet te veel op het regt van den sterke! Begrijp toch dat uwe innerlijke waarde zwak, zeer zwak is, en droom niet langer voort; want uwe toekomst loopt gevaar. Met vereende kracht u-zelve geholpen, gij hebt het immers in uwe magt. Gij kunt alles zoo gij slechts wilt en wat meer beginselvastheid in uwe handelingen toont. Verlaat het dwaalspoor door u reeds jaren ingeslagen en haal niet minachtend de schouders op als men u op den bloei van zustervereenigingen wijst. Hoogmoed komt voor den val. Vossen en raven loeren en azen op uwe grootheid en zoeken uw bestaan te ondermijnen. Leer u-zelve kennen en woeker met de talenten die gij zoo ruimschoots bezit. Blijf steeds 't eerste gezelschap van Breda's burgerij, onze lustwarande.
      Zoo kom ik tot de Vereeniging Voor het Volk, door het Volk.
      Nu vijf jaren géleden werd te Breda, waar reeds verscheidene muziekvereenigingen bloeiden, eene nieuwe opgerigt onder den naam van: Vereeniging »Voor het Volk, door het Volk».
     , De zinspreuk duidt voldoende aan dat het haar te doen is, ook onder de mindere klasse, kunstmin aan te kweeken en zooveel mogelijk bevorderlik te zijn aan de belangen van 't volk.
      Ik aarzel dan ook niet te zeggen dat het grootsche denkbeeld begrepen en ondersteund is, en de oprigters trotsch kunnen zijn op de instelling door hen in 't leven geroepen.
      Dankzij de wijze handelingen, is het zaadje spoedig een boom geworden, en wat tot hiertoe in Breda onmogelijk scheen, is door volharding en doorzigt verkregen.
      Maar voor de ware vrienden van beschaving en vooruitgang, blijft er, wat ook reeds gedaan is, nog altijd iets te doen over, en dit heeft zonder twijfel ook de geachte voorzitter der vereeniging gedacht, toen 't gelukkige denkbeeld bij hem rijpte, volks- voordragten dienstig te maken niet alleen voor de leden, maar voor iedereen die lust gevoelt kennis op te doen.
      De onderneming bood verschillende ernstige moeijelijkheden; want moest men niet eerst zekere groote hinderpalen overwinnen, die, alhoewel niet gegrond, toch bestonden? Moest men daarenboven zich niet vergewissen van de medewerking dier personen, die door maatschappelijke' betrekking of wel door wetenschappelijke of letterkundige bekwaamheid, den goeden uitslag der nieuwe onderneming konden verzekeren?
     Wie onzer herdenkt niet gaarne de leerrijke en aangename uren, door een talrijk publiek, vertegenwoordigende de gansche maatschappij, genoten; door 't bij wonen der degelijke voordragten, der belangrijke proeven, der flinke beschrijvingen en der geleerde, nuttige en sociale vraagpunten, daar door bekende en in Breda geliefde sprekers behandeld.
      Veel is er door die mannen van goeden wil gedaan om de verstandsontwikkeling te verspreiden. Niet alleen zij die daar kwamen, hebben geleerd en genoten, maar ook deze hebben in huisselijken en vriendschapskring, of in de werkplaats het gebeurde medegedeeld en daardoor is propaganda gemaakt, die waarlijk niet gering is.
      Indien dus de uitslag der volksvoordragten in 't eerste jaar aan de verwachting heeft beantwoord, dan moest zeer natuurlijk dat resultaat die volksvrienden aansporen hunne menschlievende taak uit te breiden.
      Maar laat ik eerst de Muziekvereeniging zelve behandelen; aanstonds kom ik op de volksvoordragten terug.
      Zijn ook hare bals niet zoo schitterend, is hare kas ook niet zoo goed gevuld, als die der Muziekvereeniging Vlijt & Volharding; in hare muziekuitvoeringen munt zij boven haar uit. In hare eenheid ligt hare kracht. Zij begreep van den beginne af het doel harer oprigting en al hare daden bewijzen dat zij rekening weet te houden met toestanden.
      Hoe jong ook, werkzaamheid, vlijt en doortastenheid kan men haar niet ontzeggen. Haar werkkring is ruim, hare baan niet afgebakend. Van hare edele roeping bewust, stond zij onvermoeid pal voor de belangen van Het Volk en onoverkomelijke hinderpalen kwam zij glansrijk te boven. De keuze die zij deed in den nieuwen Directeur, verhoogde de sijmpathie, die elk stadgenoot voor die schoone vereeniging koestert en hare toekomst is aan goede handen toevertrouwd. In vele uitmuntende zaken nam zij het initiatief.
      Maar zou het niet wenschelijk zijn dat die vereeniging de ballotage afschafte? Is een voordragt, door het Bestuur gedaan, niet voldoende? Kan 't in den geest der vereeniging liggen, onderofficieren te weigeren en officieren aan te nemen? Behooren.niet alle leden der Maatschappij, die dat regt niet verbeurden, tot Het Volk? Is 't niet kleingeestig de eene of andere kaste uit te sluiten?
      Nu ik toch aan 't vragen ben, wenschte ik wel eens te weten hoe het met de afdeeling Zang staat? wordt die niet al te stiefmoederlijk behandeld?
      En nu vraag ik mij af of alles gedaan is op 't gebied van volksvoordragten, in Breda wel te verstaan. Men kent immers de avondbjjeenkomsten, ingesteld door 't conservatoire des arts et metiers te P arijs, hoofdzakelijk voor de werklieden die zich in 't theoretische van hun vak wenschen te bekwamen.
      Zoo ook zal men gehoord hebben van de volksvoordragten op 't stadhuis te Brussel, die 't zelfde doel beoogen en waar alle vraagpunten van industriëele-, natuur- en scheikunde worden behandeld, en als ik wèl heb, ook de industriëele huishoudkunde.
      Even zoo, ja nog meer wordt er in Engeland gedaan. Als men Rusland nagaat, b.v. St-Petersburg, waar de volksvoordragten door een zeer groot publiek worden bezocht, zal men zien dat het bestuur zich tot den minister van 't openbaar onderwijs heeft gewend, om de voordragten aan te willen wijzen als vervolg en voltooijing van 't volksonderwijs. Ook in de groote steden van ons vaderland heeft men de noodzakelijkheid der verstandsontwikkeling bij de werklieden ingezien.
     't Zou vermetel zijn te durven hopen dat men binnen kopt ook hier zoover gevorderd zou zijn; maar wijl een schoone industriëele toekomst voor Breda schijnt weggelegd, en reeds belangrijke fabrieken onder hare muren zijn verrezen, durf ik het voorstel doen, de overheid dier inrigtingen te verzoeken hunne bekwaamste en meest ontwikkelde werklieden naar de volksvoordragten te zenden, vooral dan als er sprake is van wetenschappelijke27 vraagpunten, die ook op de nijverheid van toepassing zijn.
      Ik héb de innige overtuiging, dat, zoo mijn wensch ingang vindt, 't onderwerp van dusdanige voordragten op de ateliers en werkplaatsen 's anderendaags zou besproken worden, en zeker is 't, dat niet alleen de praktijk, maar ook de zeden, door die kennis zouden winnen.
      Ook is in den laatsten tijd een afdeeling Sijmphonie tot stand gekomen, die veel goeds voor de toekomst belooft.
      Blijft eensgezind, want ik herhaal: «In uwe eenheid ligt uwe kracht.
     -Onder de gezelschappen of vereenigingen die tot sieraad strekten van Breda, behoorde ook enkele jaren Breda's Mannenkoor.
      De luister dier nuttige en aangename vereeniging is veel getaand. Waar is de tijd dat zij bekroond met een gouden eermetaal uit Rotterdam wederkeerde? Waar is de tijd dat de bovenzaal van het Gouden Kruis 's Zondags te
      klein was voor de trouwe leden? Indien er'niet spoedig verandering komt, kan .men gerust op haar toepassen: Zij werd geboren,— groeide voorspoedig en— stierf.
      Hare buitengewone uitvoeringen zjjn ontaard in een Café chantant. Er heerscht onder de leden een malaise die niet te overkomen schijnt.
      Besturen van alle nuances hebben getracht den toestand te verbeteren, maar geen enkel is geslaagd.28
      't Kwaad zit in den boezem der vereeniging. Nog eens, in den stand van zaken moet verandering komen, -want elke verandering die daar gebeurt, staat gelijk met verbetering. Slechter als 't nu is kan 't niet worden.
      Dan hebben wij 't genoegen nog twee andere Muziekvereenigingen te bezitten t. w .: De Katholieke Harmonie „Cecilia*' en de Muziekvereeniging „Kunstmin.* Vindt ge den naam der eerste niet zonderling, waarde lezer? Misschien beleven wij 't nog dat in Breda Israëlitische, Luthersche. Protestantsche, Oud-Katholieke en Mormonen Muziekvereenigingen ontstaan! Dat zal een waar genot voor den liefhebber zijn.
      Maar den naam daar gelaten,— 't is schande dat de goede krachten zoo moedwillig versnipperd worden, 't Is jammer dat als men één uitmuntend gezelschap vormen kan, men tevreden is met verscheidene middelmatigheden. Jongelieden van Cecilia & Kunstmin! beseft ge dan niet dat'men u den verkeerden weg opleidt? Om de eene of andere partij te voldoen of wel om de eerzucht van enkelen te steunen, maakt men u diets dat gij wèl doet en heimelijk lacht men over uwe gehoorzame volgzaamheid.
      Uw bestaan is onzin! Sluit u aan bij Vlijt & Volharding of bij de vereeniging Voor het Volk, door het Volk. Hebt medelijden met de kunst die gij beoefent en tracht naar hooger, naar doelmatiger kring. Gelooft niet aan de vleijerijen uwer meesters of makkers; 't is gemakkelijk voor Éénoog in 't land der Blinden Koning te zijn.
      Afgeschud uwe dwaze vooroordeelen, medegewerkt met allen die het goed meenen,— dan,— en ook dan alleen verrijst er in Breda eenmaal eene Muziekvereeniging die wedijveren kan met elke andere.
      Heeft men te Breda vele Muziekverenigingen, ook van Tooneelgezelschappen is men goed voorzien. De Militairen leveren daaraan ruim hun contingent.
      De vereeniging van Officieren bestempelt zich met den naam van: Rederijkerskamer Jacób van Lennep; de Onderofficieren daarentegen hebben zich in twee deelen gesplitst, namelijk: de vereeniging Kunstmin & Liefdadigheid en het gezelschap Entrenous.
      Daar deze 3 gezelschappen evenwel tijdelijk zijn, en niet zoo zeer kunnen aangemerkt worden als uitspanning voor de Burgerij, kan ik volstaan met de mededeeling, dat de vereeniging Kunstmin & Liefdadigheid boven de andere twee uitmunt en een goed gebruik maakt van hare zinspreuk. Uit den aard der zaak zijn ook de krachten eener Rederijkerskamer of van een Tooneelgèzelschap, uitsluitend uit Militairen bestaande, zeer veranderlijk. • Maar
      ik heb hier rekening te houden, met een Burgervereeniging, die zich ook den weidschen titel van Rederijkerskamer toeëigent en Vreugdendal heet, onder de zinspreuk Wij vaten genucht, en voor devies een Berkenboom heeft. Zooals u, waarde lezer, bekend zal zijn, bestond reeds 4 eeuwen geleden te Breda een Kamer van Rhetorica onder denzelfden naam, dezelfde zinspreuk en hetzelfde devies. De stedelijke regeering scheen nog al met die Kamer te sijmpathiseeren. Immers, zij schonk haar verscheidene privilegiën en liet zich veel aan haar bloei gelegen liggen.
      Wil men meer van haar weten, men leze de Beschrijving der Stadt en Lande van Breda, door Thomas Ernst van Goor, uitgegeven te 's Hage, bij Jacobus van den Kieboom, in 1744.
      Het huidige Vreugdendal werd opgerigt in 1868 en heeft de vaten genucht dikwijls ten bodem geledigd. Zij heeft ruim haar deel genomen aan alle openbare feesten en dacht meer aan zinspreuk en naam. der Kamer als aan de kunst van Rhetorica. Er was een tijd dat op de gewone vergaderingen over alles gesproken werd, uitgezonderd over Letterkunde. Men vervaardigde Rederijkers-drink- liederen, gaf luisterrijke en opgewekte Bals, de Rederijkers vierden bij elke gelegenheid feest en beschouwden het leven als eene afwisseling van aardigheden. En wat het vreemdste is, zonder ernstige studie, zonder moeite, behaalde zij te Geerardsbergen (België), twee gouden medailles, t.w.: de prijs van uitnemendheid en de 3de prijs voor 't Drama.
      De Kamer bezat dus zeer goede elementen.
      Den laatsten tijd, ik constateer 't gaarne, gaf zij vele en degelijke blijken van leven, en dat zij hare roeping begint te begrijpen, bewijst de uitschrijving in 1875/76 van een grooten Internationalen Wedstrijd van Tooneelkunde.
      Ik hoop van harte dat zij slagen moge en daardoor de Bredasche jongelieden worden opgewekt deel te nemen aan eene gezonde, nuttige en leerrijke uitspanning, die den geest veredelt en in vele plaatsen, zoowel van Zuid- als Noord-Nederland hoog in de achting van het beschaafd publiek staat . 'aangeschreven.
      En 't moet gezégd worden, wat vooral een parel mag heeten aan de kroon van Vreugdendal, is, dat de geest van onverdraagzaamheid, die de meeste gezelschappen van Breda ondermijnt, daar nooit heeft kunnen binnendringen, dat hare leden staatkundige of godsdienstige vraagpunten nooit in de kamer ter sprake bragten en 't is dan ook aan te nemen dat zij juist aan die oorzaak haar voort-' durenden bloei te danken heeft en onbezorgd de toekomst kan ingaan.
      De Vereeniging van Handel en Nijverheid, die van Werkbazen en Industriëelen, de afdeeling van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van Nijverheid, het Departement van 't Nut voor 't Algemeen, ga ik stilzwijgend hier voorbij, niet omdat ze de opmerkzaamheid niet ten volle verdienen,— maar wijl zij allen een bijzonder karakter hebben en ik alsdan ook nota zoude moeten nemen van alle handelingen van den Gemeente-raad' en van die der Kamer van Koophandel en Fabrieken. Daartoe gevoel ik mij niet in staat; want bittere woorden zouden misschien mijn lippen ontvloeijen en «afgedane zaken nemen geenen keer«, zong reeds vóór duizend jaren Moeder de Gans, iets waarmede ik altijd gaarne heb ingestemd.
      Haast zou ik vergeten melding te maken van de sociëteit: De Vereeniging* ook wel *Burger-socïèteit* genoemd.
      Erg zou 't evenwel niet wezen, want waarschijnlijk is zij bij 't verschijnen van dit boekje reeds ontbonden, en daar 't zeer ongepast is van dooden kwaad te spreken, • stappen wij er over heên, hopende dat zij,'na een zalig -verscheiden, niet meer moge verrijzen.
      Mütua Cenfidentia is de leus eener vereeniging die in 't Hof van Holland vergadert en waarschijnlijk zóu dat geheimzinnig gezelschap mijne opmerkzaamheid niet getrokken hebben, indien de leden van Onderling Vertrouwen elkaêr niet op een openbare vergadering het omgekeerde van hunne zinspreuk vpor de Voeten hadden geworpen. Ik raad haar daarom aan, spoedig een anderen naam te kiezen.
      En als ik nu eindig met de Katholieke Kring, -gevoel ik mij genoodzaakt wpl mijne excuses te maken voor die schijnbare veronachtzaming van 't groote heilaanbrengende gezelschap, dat opgerigt werd om brave burgers te vormen en met moederlijke angstvalligheid zorg draagt dat de kanker van moderne ideeën niet binnensluipt in de onbedorven harten der uitverkorenen.
     'k Zal niet beweren dat de Kring hunkert naar 't oppermagtige gezag; 'k durf met sommigen niet instemmen dat zij meer verdeeldheid dan eenheid zaait; maar d.e verslagen die ik nu en dan over hare werkzaamheden in De Waarheid lees, zijn mij, eenvoudig natuurkind, te verheven en rieken mij wat al te veel naar de sermoenen van Pater Brom. De humor van Abraham de Santa Clara heb ik uitsluitend opgemerkt in de redevoering van den afgevaardigde Haffmans.
      De Kring heeft regt van bestaan, omdat elk burger een uitspanning zoekt en de uitspanning voor den eene een martelende inspanning voor den andere is.
      Moge haar programma de volle waarheid behelzen en niet gedeeltelijk haar doel hebben blootgelegd, dan geef ik de verzekering mijner sijmpathie.
      Dwalen echter is menschelijk en zeker ten haren opzigte.
      De Katholieke Kring te Breda, is bij besluit van Z. M. de Koning van 15 April 1875 als regtspersoon erkend,— en heeft een gebouw met open grond aangekocht, om dat in te rigten tot het houden zijner bijeenkomsten;— n.1. dat van den Heer G. Johlmann aan de Haven, 't geen er dan ook 334 uitmuntend voor geschikt is. De heeren die een CONCERTZAAL d, l'instar van het Paleis van Volksvlijt .willen bouwen, zullen zich nu zeker met de Katholieke Kring verstaan.
      »Wij vertrouwen, zegt de Waarheid, dat deze zoo hoogst nuttige vereeniging hierdoor in bloei zal toenemen en dat ieder katholiek dien schoonen ' naam waardig, er eene hooge eer in zal stellen zich als lid te doen opnemen eener Vereeniging welke de katholieke vaan hoog omhoog houdt en die daarom juist in onze rampvolle tijden van zoo onberekenbaar nut is.»

HOTELS, RESTAURATIËN , CAFÉ'S, enz.,





     Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk aan u gewijd, waarde vreemdeling, die in Breda verdwaalt, of aan u, geachte commis-voijageur, die op gezette tijden ons de eer van uw bezoek waardig keurt.
     't Is u immers niet onverschillig te weten, waar ge uw intrek neemt en onder wiens tafel gij uw voeten steekt..
      En 't is ook mij, zoon van Breda, niet onverschillig of ge tevreden of teleurgesteld ons verlaat, en daarom is 't noodig dat ik u tot gids strek in de u onbekende gastvrije woning, alwaar ge aan de genade van vreemden voor enkele uren zijt overgegeven. Ge hebt rekening te houden met uwe gewoonten, met uw karakter, met uw stand en met uwe beurs.
      Laten wij daarom, waarde niet-Bredanaar, beginnen met het oogenblik ,dat ge het stampend en snuivend gevaarte, dat u op de vleugelen van den stoom tot hier voerde, verlaat.
      Ge zijt in Breda, hoewel ge nog weinig gewaar wordt van al 't merkwaardige dat ons stadje bezit. Ge kunt zelfs met geen mogelijkheid bepalen hoever de afstand is die ge af moet leggen alvorens in uw logement te arriveren. Ge staat besluiteloos of ge regt vooruit, links of regts wilt gaan en neemt in 't begin weinig notitie van de conducteurs der omnibussen, die u mét aandrang tot instijgen noodigen. Maar 't kan ook zijn dat ge een liefhebber van wandelen zijt, en, eens moê gezeten, zelf op verkenning van een logement uitgaat.
      Wij zullen 't laatste aannemen, want hebt ge u onvoorwaardelijk aan de colporteurs der hótel- houders overgegeven, dan zijn natuurlijk mijne raadgevingen overbodig. Zoolang de nieuwe weg nog niet voldoet aan de eischen die elk wandelaar voor schoeisel en broekspijpen vergen mag; zoolang ge kans hebt te verdwalen in moerassen of de beenen te breken over stellingen en bouwmaterialen die u tot onzachte uitroepen nopen; zóólang, o vreemdeling, is 't mijn pligt u door een gids te doen leiden langs den ouden heirweg, die in de Boschstraat uitkomt, of langs de route die naar de voormalige Waterpoort voert. De eerste weg echter is verkieslijk, omdat de Boschstraat u misschien spoediger zal in kennis stellen met datgene wat ge zoekt.
      De weg zelf heeft niets buitengewoons, — alleen zal men u mededeelen dat alhier aan de Cingelsgracht in 't jaar 1875 gedurende de maanden Julij en'Augustus een Provinciale Tentoonstelling van Landbouw, Nijverheid en Kunst werd gehouden en dat die grootsche onderneming, trots allen mogelijken tegenstand, èn van bemoeizieke en bedilachtige Bredanaars, èn van afgunstige Boschenaars, èn van ijlhoofdige overheidspersonen heeft plaats gehad; luisterrijk en meer beantwoordende aan het doel, dan 25 jaren voordien de Provinciale Tentoonstelling in den Bosch, notabene een subsidie van circa 2000 gulden door de Provincie was verstrekt, 't geen aan deze Tentoonstelling tweemalen werd geweigerd.
      Uw gids zal er welligt bijvoegen dat de Voorzitter dier Tentoonstelling niet in den smaak viel van velen, het betenoire van anderen was, maar hij zal er op laten volgen:
      't' Is 'ne slimme en anstrante duvel; hij goat
      met z'ne kop deur de muur, al is 't er ook geen
      gat in en 'k wou wel eens zien of al die groote
      lawaaimakers 't 'm na zouen doen.*
      En de historieschrijver merkt hierbij op: dat een eenvoudige koperslager, een vrolijke, levenslustige, ronde snuiter, Piet Schellekens genaamd, het primitieve denkbeeld opwierp, en door kwikslagen en grappen, de ernstige moeijelijke oogenblikken van de Regelings-Commissie veel heeft verligt.
      Als hij u dit alles in zijn kleuren en geuren heeft meégedeeld, hebt ge de plek bereikt waar vroeger de Boschpoort was, en na u in 't voorbijgaan te hebben in kennis gesteld waar de meid van Vos vroeger woonde, houdt hij stil bij het hoekhuis van de Boschstraat en zegt: hier meneer ben de bij Broeren, een goed proper burger stozement. En waarlijk, de man heeft gelijk,— de heer Broeren doet zijn naam als oud-kellner eer aan en, 'k kan een-elk, wiens beurs niet te ruim is voorzien of niet gaarne logementen van den lstenrang bezoekt, de gouden Leeuw « aanbevelen. Maar uw leidsman heeft opgemerkt, dat
      gij een weinig aristocraat zijt en stapt reeds verder. Bijna is de Boschstraat ten einde,— de gids blijft nogmaals staan en,— wijst u op een groot en prachtig logement, waarboven dikke gouden letters u verkondigen dat het Hotel de la Couronne u uitnoodigt de vermoeide ledematen op de mollige kussens en zachte bedden uit te spreiden. Gij zijt besloten;— de gids weifelt;— «schuins hier tegenover« zegt hij, «is nog een mooi logement,— ook goed, de Zwaan« uw oog volgt zijn blik en waarlijk— ge weifelt ook. 't Hotel de Zwaan of La Cijgne lacht u even minzaam toe; 't ziet er even sierlijk uit; de moderne gevel spreekt van chique: 't is een echt pendant van La Couronne,
      Ook ik weifel even als de gids, even als gij, waarde lezer,— daarom aan u de beslissing.
      Ja, 'k heb veel gereisd, groote en kleine steden / in binnen- en buitenland bezocht, overal den lof > van onze logementen hooren verkondigen en uit vele bewijzen de overtuiging verkregen dat Breda op 't punt van logementen zooal niet uitmunt, dan toch met eere de concurrentie kan doorstaan met de beste hótels van elders.
      Maar gesteld dat wij nu eens den anderen weg, langs de voormalige Waterpoort, hadden gevolgd, de gids zou u misschien niet naar de Boschstraat hebben gevoerd. Hij zou u dan hebben gesproken van 't Wapen van Nassau, een logement, gelijk staande aan dat van Broeren, even druk door den gewonen burger bezocht, slechts dit onderscheid hebbende dat het er in 't Wapen van Nassau wel zindelijk en proper, maar niet zoo bij uitstek uitziet als in de Gouden Leeuw; 'tgeen eerstens ligt aan het plaveisel van den gang, aan de donkere gelagkamer en meerdere drukte; tweedens, omdat het logement tevens dient tot uitspanning van voerlieden en landbouwers.
      Nog hebben wij last not least een logement ter goeder naam en faam bekend, te bespreken.
      't Is *de Oude Prins ** in 't midden der stad (torenstraat) gelegen, ruim van alle gemakken voorzien en veel door den tegenwoordigen eigenaar, de heer Rikkers, verfraaid en verbeterd.
      Wij zouden het een logement lsten rang noemen, maar de uitgebreide cliëntelle die 't hótel heeft, bestaat te veel uit de verschillende klassen der maatschappij. Wij zouden 'took kunnen noemen een eerwaardig logement. Eerwaardig, daar het 't logement bij uitnemendheid der HH. Geestelijken is,— 'tgeen bewijst dat de tafel niets te wenschen overlaat.
      De naam van den heer Rikkers, in den laatsten tijd veel genoemd, en door Uilespiegel vaak laf misbruikt, is wel waard nader besproken te worden. Hoewel ik niet volmondig instem met de denkbeelden van dien heer, verklaar ik gaarne dat, naar mijn bescheiden meening, weinig personen worden aangetroffen die zooveel vrienden onder hunne tegenstanders hebben. Velen heeft hij beschaamd. Hij heeft beter dan enkele zoogenaamde liberalen de woorden vrijheid en regt begrepen, en daarvan in zijne hoedanigheid als lid van den Gemeenteraad de meest doorslaande bewijzen gegeven.
      Hij is zichzelve gelijk gebleven.
      't Ware te hopen dat zulks van elk Bredanaar kon gezegd worden.
      Hij verwart geen personen met zaken.
      Al is hij ook de trommelslager van 't Ultramontanisme, in zaken 't algemeen belang betreffende is hij meer liberaal dan velen die zich dien eere- naam toeëigenen.
      Er zijn ook nog. andere huizen, die 't opschrift Logement” dragen, in 't goede Breda, zooals de Utrechtsche Dom in de Keizerstraat en meer dergelijken; maar 'k zal zoo vrij zijn die te laten voor wat ze zijn, 't Is zoo moeijelijk ze juist te beschrijven,— er vallen te veel treurspelen en nog meer melodrama's en kluchtspelen voor.
      Restauratiën bezit Breda niet veel,— waarmede ik bedoel de huizen die tevens geen koffijhuis zijn of duidelijker gesproken, zij die uitsluitend als Restauratie in 't register van patentpligtigen zijn opgenomen.
      Slechts ééne Restauratie keur ik daarom de vermelding waard, n. 1. 't Hotel Berlijn waarvan eigenaar is de heer J Ohlmann.
      't Schijnt een eigenaardigheid der Duitschers te zijn 't edele beroep van kookkunst uit te oefenen,-— ten minste in Breda.— Wat er ook van zij, in 't Hotel Berlijn, wordt men naar wensch bediend en menig lekkerbek roemt haar goede keuken. De officieren hebben voor 't meerendeel daar hun legertent opgeslagen en tal van flesschen uit de velden van Champagne, van de boorden van Moezel of Rijn, zijn in 't Hotel Berlijn gemitrailleerd of 't hoofd afgehouwen.
      Als 't rond gaat krijgt ieder een beurt, zoo ook de Gafé's.
      De Beurs van Breda, Het Gouden Kruis, Het Hof van Holland, Schotland, Het Café Jonkers, De Biersalon Hartmann, enz., enz.— ü die allen te beschrijven en de voor- en nadeelen van die openbare plaatsen op te sommen, zult ge niet van mij vergen, waarde lezer. Ze gelijken ook op elkaêr * als de eene druppel water op den • andere. Wat daar na middernacht voorvalt bezit iets geheimzinnigs, en 'k wil den eerste niet zijn om den sluijer van al die vertrouwelijke gesprekken op te heffen. Daarenboven er zijn kasteleins die 't niet onder stoelen of banken steken en die verhalen, hoe vermakelijk ook voor stadgenooten, hebben niet de minste waarde voor vreemdelingen en zijn ietwat vervelend en ontnuchterend voor de daarbij betrokken personen. De jonge dandij die in 't' Hof het hof maakt aan de lieve, aardige dochters van den steeds wakenden eigenaar en vader; de speculanten die in 't' Gouden Kruis een half lot van de Staatsloterij verdeelen; de habitués van de Beurs die eerzaam keuvelen en prachtige zaken koopen en verkoopen binnen een tijdsverloop van 2 glazen bier en een grogje; de bierdrinkers van Schotland, die leitje spelen, smousjassen en spinnen; de vaste kalanten bij Henri Jonkers die laat in den avond komen en vroeg in den morgen heengaan; de bezoekers van 't Salon Hartmann die gewaagde stellingen verdedigen en daardoor later voor eene vierschaar worden geroepen,— dat alles is overbekend en vele verschijnselen die zich in de genoemde café's voordoen, vinden ook plaats in andere koffijhuizen, niet het minste bij Visser (Haven) en bij Wick (Kraanstraat).
      Koffljhuishouder behoort tot een der lucratiefste beroepen van Breda, waaruit de leden van een afschaffers-genootschap, misschien met regt, de gevolgtrekking maken, dat het lucratieve van dat beroep oorzaak is van den minder voordeeligen toestand van een groot gedeelte der Bredas che ingezetenen. .
      Iets wil ik echter niet vergeten hier aan te teekenen, n.l., waar de verschillende gezelschappen, vereenigingen of corporatiën zijn gevestigd, wijl zulks den vreemdeling tot wegwijzer kan strekken.
      In de Groote Sociëte is bij den heer Fol: De Vereeniging van dien naam.
           Vereeniging van Werkbazen en Industruèelen,
                Beschermheer: Z. K. H. Prins Frederik,—
                Eerelid : Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden;
                vergadering: den 2den ep 4den
                Zondag van elke maand.
           Rederijkerskamer: Jacob van Lennep.
           Sociëteit Casino.
           Vereeniging: Metalen Kruis, Eerste Sectie.

           In de Beursvan Breda , bij den hr Vlasblom:
                Biljartgezelschap: Spel zonder winstbejag.
           Bovendien wordt het achterzaaltje veel gebruikt voor 't bespreken van een of ander onderwerp en voor 't vieren van verschillende vrienden-partijtjes.

      In 't Gouden Kruis , bij den heer Van Poppel:
          Koninklijke Muziekvereeniging onder de
                zinspreuk : Voor het Volk, door het Volk. Uitvoering
                Maandag;— repetitie Vrijdag.
      U zult opmerken, geachte Lezer, dat ik het woord Koninklijke cursief zet, waarom?
      Omdat, toen ik het . hoofdstuk Muziekverenigingen schreef, zij dien hoogen titel nog niet voerde. En, de woorden van haar waardigen eere-voorzitter, de heer J. E. Vreede: — Het Volk is gansch de Natie, waarvan de Koning 't opperhoofd is— tot de mijne makende, zie ik in dien titel, niet alleen eene bijzondere eer, maar tevens een noodzakelijkheid en vereischte, want nu de naam van den Eersten Burger van Nederland verbonden is aan Het Volk is hare zinspreuk waar geworden in den volsten zin van 't woord.
      Immers de aristocratie is daardoor ondergegaan in de democratie, of —omgekeerd?—
      Dit gezelschap maakt tevens uit het
      stedelijk muziekkorps der dd. schutterij. Rederijkerskamer: Vreugdendal, onder de
               zinspreuk: Wij vaten genucht; vergadering elken Dinsdag.
           Liedertafel: Breda's Mannenkoor; vergadering
                elken Woensdag.
           Onderofficiersociëteit; vergadering elken Zaterdag.
           Tooneelgezelschap: Entre-nous.
          
      Kiesvereeniging: Eendragt maakt Magt.
In Het Hof van Holland , bij den heer Loos:
          Koninklijke Muziekvereeniging onder de zinspreuk: Vlijt & Volharding, opgerigt 15 Oct. 1837;
                — uitvoering Donderdag en oefening Dingsdag.
           Mutua Confidentia; vergadering elken Zondag.
           Zangvereeniging: Aurora; repetitie Vrijdag.
           Natuurkundig Genootschap.
           Maatschappij van Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt.
           Nederl. Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
           Afdeeling: Schoolverbond.

      Koffljhuis, Henri Jonkers:
          Sociëteit de Vereeniging (bovenzaal).
      Dit koffljhuis wordt veel bezocht door Aannemers, Metselaars en Timmerlieden, die déar gewoon zijn de bestekken en verdere bescheiden, aannemingen betreffende, na te pluizen.

      Koffljhuis: Schotland , bij den heer Blom:
           Rederijkerskamer: Oefening kweekt Kunst;
                vergadering Woensdag en Zondag.

      Schouwburg zaal, bij den heer Meijer:.
           In de koffij kamer van dit locaal houdt het scherp- schutters-korps ^Godevaert Montens,* onder de zinspreuk: « Voor Vaderland en Oranje* hare vergaderingen.
      Den laatsten tijd schenen de oefeningen der werkende leden luttel te zijn, 'twelk waarschijnlijk toe te schrijven is aan de langdurige ziekte van haar ijverigen Kapitein-Kommandant.
      Ik stel te veel prijs op den voortdurenden bloei van dit korps, om niet den wensch te uiten dat het meer en meer moge beantwoorden aan het schoone doel bij de oprigting beoogd. .
          Tooneelgezelschap : Kunstmin & Liefdadigheid.
           Vereeniging: Metalen Kruis, Tweede Sectie.
           Muziekvereeniging: Kunstmin.

      In het InstitutS Antoine :
           De Harmonie Cecilia.
           Even als elke oude stad, bezit bovendien Breda zijn gilden, die steeds volijverig hun bijstand verleenen bij 't houden van optogten, enz., waarbij zij dikwijls door eigenaardige opvatting hebben uitgemunt. 't
      Krooningsfeest van 12 Mei 1874 strekt daarvan ten bewijze*

GROOTE EN KLEINE ZAKEN .





     Als ik, geachte lezer, die twee zaken in één hoofdstuk behandel, is 't omdat wat de eene groot noemt den ander klein toeschijnt en zoo omgekeerd.
      Wat voor A een bagatel is, is voor B soms een levensqusestie, en 'tgeen C een berg noemt, wordt door D als een heuveltje beschouwd.
      Daarom —en om geen andere reden— heb ik goedgevonden het onderscheid tusschen die twee categoriën weg te cijferen, op gevaar af beschuldigd te worden het eene te verheffen en het andere te miskennen.
      Onder de groote zaken behoort in de eerste plaats, de uitbreiding onzer stad. De wallen zijn * geslecht, de poorten zijn verdwenen, de doofpot is verbrijzeld. Hoezee! klonk het ontelbare malen door Breda en overal was gejuich en gejubel. Breda wordt groot, magtig, rijk, daverde het in de Ginnekenstraat en de echo herhaalde aan 't einde van de Boschstraat —Rijk*— Er waren zelfs personen die ons wezen op den spoedigen vooruitgang van Amerikaansche steden en den geest der Jankees scheen in de Bredanaars te zijn gevaren.
      Op de grenzen der oude stad verhieven zich spoedig de trotsche gebouwen eener Beetwortel- suikerfabriek, waarbij alle andere fabrieken van dien aard kinderen waren. Eene ijzergieterij volgde weldra; terwijl 2 lucifersfabrieken der wereld toonden dat Breda in dien tak van Industrie de premie?* van Nederland wenschte te worden.— De gouden eeuw scheen voor de arbeidersklasse te zijn aangebroken.
      Oprigting van fabrieken,— 't was voor hen 't Beloofde Land.
      Twee jaren zijn heêngegaan: — de ijzergieterij is een sieraad van Breda; — de lucifersfabrieken hebben de gekoesterde verwachting niet beschaamd; — de groote beetwortelsuikerfabriek is, na veel vieren en vijven, in andere handen overgegaan.
      De arbeidende klasse is armer, behoeftiger dan vroeger,— 't Beloofde Land zal welligt nooit betreden worden door hen, die zich reeds bij voorbaat met melk en honig gevleid hebben.
      Dwaze Bredanaars! geluk en voorspoed te verwachten van een fabrieksstad!?
      Heil te zoeken in 't exploiteren van zaken waar handenarbeid voor vereischt wordt, waar de blanke slaaf gedoemd is tot eeuwigen arbeid, zonder kans op lotsverbetering!
      Niet dat ik den nijverheidszin van onze krachtige en kundige fabriekanten misken; niet dat ik blind ben voor de voordeelen die aan de uitbreiding en oprigting verbonden zijn; niet dat ik de spreuk -Kennis is magt,- versmaad; verre van mij.
     Maar als ge denkt, goede Bredanaar, uwe stad lief te hebben, door den wensch te uiten dat Breda een fabrieksstad in den uitgestrektsten zin zal worden, dan dwaalt ge.
     Laten wij niet verder gaan dan Noord-Brabant.
     Is Tilburg dan de stad uwer voorliefde?
     Tilburg met zijn honderde en honderde fabrieken lacht u toch niet aan?
     De bevolking neemt er dag aan dag toe; 't is de meestbevolkte gemeente van Noord-Brabant, en jaar aan jaar komen honderde armen den centenaarslast vermeerderen die op die gemeente drukt,— en, al wat gebrek lijdt, al wat brood noodig hééft om 't ellendig bestaan voort te slepen gaat naar. Tilburg en verkwikt zich aan de bron der fabricaadje.
      Maar' wee! 't oogenblik waarop de een of andere crisis de werkzaamheden der fabrieken verlamt; of wee! den dag waarop een toeval de fabrieken sluit.
      Dan kunt ge, o Tilburg, duizenden en duizenden voeden en laven die broodeloos geworden zijn, dan grijnst het spook der armoede u uit de achterbuurten tegen. Diefstal, oproer en misdaad zijn dan aan de orde van den dag, want— Tilburg is een fabrieksstad,:
     142 wollenstoffenfabrieken (waarvan 55 door stoom gedreven), deze 142 fabrieken werken met circa 4500 arbeiders,
     11 wollenstoffenverwerijen (waarvan 6 door stoom gedreven),
     1 callicotfabriek, door stoom ge,dreven, 2 stoommeelfabrieken, 38 leêrlooijerijen (waarvan 1 door stoom gedreven),
     2 perkamentbereiders, övellenblooterijen (waarvan 1 door stoom gedreven),
     1 machinale kaardenfabriek,
     2 drijfriemenfabrieken,
     2 linnenfabrieken,
     1 tras- en houtzaagmolen, door stoom gedreven,
     1 ketelmakerij,
     2 honig- en wasbleekerijen (waarvan 1 door stoom gedreven),
     9 korenmolens (waaronder door stoom gedreven),
     1 chromaatgroen- en vernisfabriek, door stoom gedreven,
     6 bierbrouwerijen,
     8 steenbakkerijen,
     2 olieslagerijen en
     2 steenhouwerijen.
     Breda is tot hiertoe, god dank I nog geen fabrieksstad. De fabrieken die tot nu bestaan zijn te weinig in getal om haar dien naam te geven, 't Zal waarschijnlijk ook, al wéér god dank! nooit de vlugt van Tilburg nemen. En,— wilt ge, waarde lezer, een maatstaf hebben waarop mijne veroordeeling van fabrieksstad gegrond is? De Census. Breda met zijn 15,000 inwoners, telt meer en veel meer kiezers voor den gemeenteraad dan Tilburg met zijn 25,000. Dat is een bewijs van stoffelijke welvaart, want woning en voeding zijn onafscheidbaar.
     In Helmond is 't nog armzaliger geschapen.
     Helmond is ook een fabrieksstad en zoo ge ooit die plaats bezocht hebt, was 't u dan niet, of u de keel werd digtgeknepen, of een molensteen u op het hart drukte, bij de gedachte dat in die kratten, in die wanstaltige en zwarte massa's, menschen wonen.
     Maar genoeg.— Rigt fabrieken op, Breda, maar zorg dat ge ook den naam behoudt van lieve, vrije, opene en gezonde gemeente, die zoo gaarne door den vreemdeling als woonplaats wordt verkoren, al vroeg men ook voor de huur van een huis het tiendubbel bedrag van die plaatsen, die uitsluitend hun heil zoeken en denken te vinden in fabrieken.



     Onder de groote en kleine zaken rangschik ik ook de openbare feesten.
      Indien, waarde lezer, Nederland feest viert, d. w. z. een geschiedkundig feit herdenkt of jubelt bij een heugelijke gebeurtenis, waarvan de held is een telg uit het geliefde stamhuis van Oranje, dan kunt ge zeker zijn dat Breda niet in de achterste rij der feestvierende gemeenten zal komen, maar gaarne de gelegenheid waarneemt, om hare vaderlandsliefde en gehechtheid aan 't dierbaar vaderland en den vorst te toonen.
      Daarenboven is 't karakter van den Bredanaar nog al meegaande. Is er feest, onwillekeurig gevoelt hij zich medegesleept, en alhoewel hij aan elk, die 't hooren wil, verzekert dat ze voor zijn part wel op kunnen hoepelen, hij wil toch niet .de minste aanstoot geven, maar ledigt al spoedig met andersdenkenden zijn halfje en pintje op de pret en den goeden afloop.
      Van daar, dat feesten te Breda nooit die treurige herinneringen nalaten die, elders helaas! te dikwijls plaatsgrepen. Geen baantje dan ook zóó gemakkelijk als politieagent te Breda. De sterke arm der wet wordt zeldzaam ingeroepen, en hare taak wordt hoofdzakelijk bezwaard door de aanhoudende aanbiedingen die zij krijgen van jenever en bier. Er zijn dwaze menschen, die een politieagent voor een wandelende bewaarplaats houden van alle mogelijke dranken.
      Maar: Revenons a nos moutons, — 't populairste feest in Breda, is wel het beruchte Vastenavondfeest.
      'k Wensch echter, voor ik verder een letter over dat pretje op 't papier zet, een zeer ernstig woord tot u, Bredanaars, te rigten:
     Er zijn lieden die, door overmaat van gal, lastig, knorachtig of kwaadaardig zijn, en die dag aan dag van de daken verkondigen dat alles op dit ondermaansche verkeerd gaat; in één woord, dat het leven verschrikkelijk ellendig is. .Zij durven beweren, dat de groote vertooning van 't einde der wereld, die zoo dikwijls fiasco gemaakt heeft, weldra zal plaats hebben, en ieder bewoner van dit tranendal, groot en klein, arm en rijk, oud en jong, ad patres zal zenden.
      Volgens die grappige wezens, is het eenige redmiddel voor dien volslagen ondergang van het mensch- en dierendom, de afschaffing van alles wat hun niet behaagt, onverschillig of anderen er van houden.
      Maar de hand op 't geweten, is 't dan onze schuld, vraag ik, als de leden der Maatschappij tot Afschaffing van Sterken Drank geen Schiedam kunnen verdragen, maar de voorkeur geven aan Bordeaux en Champagne?
      Is 't onze schuld als enkele personen, door podagra of asthma geplaagd, het walsen en polkeren verfoeijen?
      Als men zoo doorging, zou 't misschien eenmaal gebeuren dat de dooven hun banbliksem slingeren naar alle muziekuitvoeringen en tooneelvoorstellingen; dat de bijzienden, die niet-verder kijken dan hun neus lang is, de heldere gasvlam zullen verbieden; dat...... *maar genoeg, ge zoudt nog meer zien; want ééns begonnen met af breken en vernielen, waar zou wel 't einde zijn, getuige de Commune van Parijs. Daarom verwondert het ons geenszins, dat er langzamerhand eene partij oprijst, die, jaloers op den triomph der Internationale, hemel en aarde beweegt om ook grèves op touw te zetten, en raad eens welke grèves!...... Eenvoudig eene grève onder de verdedigers van Carnavals- en Kermisdagen.
      Maar, waarde lezer, nooit krijgen ze 't in Breda gedaan. Vastenavond is, dat weet ieder, 't feest bij voorkeur ('k zeg'niet bij uitnemendheid) van Breda's vrolijke, onbezorgde inwoners. De Bredanaar is gewoon 't genoegen te grijpen en 't zoolang mogelijk vast te houden, waar en hoe 't zich voordoet. Veel heeft hij niet noodig om eenige oogenblikken gelukkig te zijn.
      Schaft alles af, gij philantropen en vreugdehaters, maar laat den Bredanaar toch zijn twee carnavalsdagen. Denkt ge dat hij zonder die dwaasheden zou kunnen? Herinnert u dan 't jaar 1848, 't zal u antwoorden; — 't staat me nog levendig voor den geest.
      Wat er ook in 't werk gesteld is om Maandag en Dingsdag vóór asch-Woensdag gelijk te doen zijn aan elk anderen dag, 't is tevergeefs, zoolang de veertigdaagsche vastentijd bestaat. '
     Bewijs daarvan ligt in 't feit, dat in 't zuiden van Europa meer werk van de carnavalsfeesten gemaakt wordt dan in 't noorden, alwaar de vasten niet zoo algemeen is.
      Viert feest, gij, die er lust, tijd en geld voor hebt; maar doe het zoo geestig en netjes mogelijk. Viert feest, en dat ge, na den beker tot den bodem geleêgd te hebben, geen bitteren nasmaak moogt hebben.
      Na de vastenavonddagen, de veertig-daagsche vasten. De dagen van uitspatting zijn voorbij, die van versterving zijn ingetreden.— In de groote steden, waar de godsdienst geen publiek karakter meer heeft, bemerkt men er niets van, maar hier wordt de vastentijd even goed gehouden als de carnavalsdagen worden gevierd. De gezelschappen hebben de groote uitvoeringen gestaakt; de kunstwereld neemt vacantie en de kerk is aan de beurt. Zelfs halfvasten beteekent in Breda niets. Verlangt ge op dien tijd een bal d Vinstar de Paris of Bruxelles, och, *t lijdt bepaald échec. Probeer *t maar niet, 't is vergeefsche moeite.
      Nu een woordje over de kermis.
      Ik zal niet beweren dat alles wat op de kermissen geschiedt, goed is, en er geen nuttige en noodzakelijke hervormingen noodig zijn. Zoo zou het , ook buiten de kermis goed zijn, dat men de chignons en valsche toupets wilde afschaffen, want, in waarheid welk voordeel kunnen toch die aardige schepseltjes, ons gegeven om de dorre paden van 't leven te veraangenamen, er aan hebben, het lieve kopje te belasten met een massa vreemd haar, slechts hangende aan een zijden draad, of, om duidelijker te spreken, aan eene haarspeld;— wat aangaat de valsche toupets, kunnen de kaalhoofden altijd hun toevlugt nemen tot het classieke zijden mutsje.
      Grève onder de kermisgasten!!! ,
     Nog eens,— 't is ónmogelijk.
      Maar wat is dan eigenlijk de kermis!— Ik wil het u zeggen.—
      De kermis is eene instelling van de oudste en belangrijkste tijden.
      Het woord Kermis is eene verbastering van Kerkmis, dat wil zeggen, van de mis die in iedere plaats ' gecelebreerd wordt op den dag van den Patroon der Gemeente.
      De kermis is een regt door eeuwen geheiligd, en even onuitwischbaar als de gulden spreuk op de groote klok van den Bredas chen toren gegrift.
      De kermis maakt de onschuldige vreugde uit der lieve kleinen, die reikhalzend naar 't oogenblik uitzien waarop ze in den mallemolen kunnen rond-' draaijen onder 't oorverdoovend geluid van eene zenuwachtige muziek.
      De kermis is de jubeldag der buitenlui en liefhebbers van zoeten deeg, die hun zakgeld aan de kraam of aan 't tafeltje van den koopman wagen, om een zak moppen of een dubbelhartigen peperkoek magtig te worden. De kermis is eene blijde uitkomst voor de jonge, levenslustige dienstmaagd, die zoo zeldzaam van mevrouw permissie krijgt tot middernacht uit te blijven.
      De kermis, is een hoopvolle toevlugt voor eene menigte arme drommels, die van deze gelegenheid gebruik maken onze huizen te bestormen, om toch ook eens of tweemaal per jaar een korst brood te eten iets minder zwart en iets minder hard dan naar gewoonte. .
      De kermis is de broodwinning van vele kleine industriëelen, die de speelbank van Baden enz., in 't klein exploiteren.
      De kermis is het dagelijksch brood van den kwakzalver, van den rondreizenden muziekant, van den orgeldraaier en van tutti quant i, die onze gehoorzenuwen kwellen, hoewël wij nooit zullen weigeren onze aalmoes in *t aangeboden bakje te werpen.
      De kermis is de tijd waarop wij ook een kruimeltje brood geven aan den geleerden hond, aan de witte rat, of aan den aap met zijn gegalonneerden rok.
      De kermis is de voorzienigheid der dikke dames, der dwergen en der reuzen; zoo ook van de wilde menschen en negers uit de binnenlanden van Afrika, allen of bijna allen uit Amsterdam gekomen, alwaar zij na de kermisdagen terugkeeren, even blank van huid als gij en ik.
      De kermis is...... Och, zij is al wat gij wilt. Maar als ik niet vreesde! geduld van mjjne waarde lezers te veel op de proef te stellen, zou ik u, o groote hervormers, bewijzen dat, hoe gemakkelijk 't ook is een oud kleed o'f een ouden jas te keeren, men zeer moeijelijk eene wereld kan herscheppen als de onze. '



     Nu ik toch, waarde lezer, met u afgesproken heb, dat dit hoofdstuk over verschillende onderwerpen zal loopen en alzoo veel op een zoogenaamd bedelaarsdeken zal lijkenen, verzoek ik u mij te volgen naar den algemeenen tuin van Breda, genaamd Valkenberg. Nqqt hen; die niet weten wat het Valkenberg is, sla ik even Van Goor open, en omdat ik geen betere beschrijving van die wandelplaats kan geven, schrijf ik eenvoudig af wat die geleerde man geboekt heeft. Zoo'n klein beetje »• plagiaat»» mag er wel doorloopen. 'k Weet ook niet, waarom ik een uitzondering zou willen maken op den algemeenen regel. Niemand is oorspronkelijk, hebben zoo vaak groote geesten verkondigd, en ik kan me zeer goed met die uitspraak vereenigen. Dat oorspronkelijk is dikwijls vrij lastig. En nu, waarde lezer, luister, want Van Goor spreekt:
      ”Van 't ruime kasteel (nu de Kon. Mil. Akademie) gaat men over een brug, die in 't jaar 1739, op 't bevel des prinsen van Oranje, over de stadsgracht is geslagen, in den vermakelijken hof van het Valkenberg, dus genaamd, omdat voorheen aldaar een vogelhuis stond, 't geen den naam van Valkenberg voerde. Graaf Hendrik heeft dat huis in 't jaar * 1351 doen afbreken, en daaraan vele erven gekocht, om eenen wijd uitgestrekten tuin voor het kasteel ' te maken. Deze hof beslaande omtrent drie mergen lands, bestaat thans in een groot perk, omheind van hooge beukenhagen, en in zeventien bijzondere palm- en grasperken verdeeld, in ieder van welke een wit gepleisterd standbeeld geplaatst is.»» (Die standbeelden zijn allen opgeruimd, met uitzondering van vriend Hergulus, door het aankomend geslacht de vuile man genaamd.)
     »»Ten noorden heeft men een terras uit den grond opgemetseld, lang driehonderd en twintig schreden, breed zestien en hoog zes voeten, beplant met een dubbele rjj hoogopgaande linden; waarvan zich ten oosten opdoet een digtbewassen bosch van linden- en beukenboomen, in vele wandelpaden59 doorsneden. Ten zuiden was voorheen een klein bosch, waarin buitengewoon hooge en zware boomen stonden, 't geen door den feilen stormwind, op den eersten van Herfstmaand 1717, 't eenemaal vernield zynde, in 't volgende jaar weder is herplant, en in vier, door hagen afgezonderde, vierkanten verdeeld. In 't midden van den hof ziet men een visohryken vijver. * (Tegenwoordig is het water van den vyver aan erwtensoep gelijk en in plaats van visch, ontwaart en ruikt men de prachtigste krengen.) *Daarnevens is gebouwd de huize van Pergamont, aldus genaamd naar deszelfs stichter Jan de Boubert, gezegd van Pergamont, Groot-Kamerling van Graaf Hendrik; na wiens afsterven, op den eersten van Wijnmaand 1550, dat huis aan den heer van Breda is gekomen, die het nog bezit.»
      Dit Valkenberg verstrekt den inwoners van Breda tot een, aangename wandelplaats, welks gelijk in geene stad der vereenigde Nederlanden wordt gevonden.
      Jammer dat het zoo weinig bezoekers heeft.
      In de Bredas che Courant van 16 Mei 1875, schrijft X.Y. Z. o.a.:
     ”Staat men nu bij de Willemsbrug met het gezigt naar de stad gekeerd, dan ziet men voor zich een kolossalen wal, bezet met oude, hoog opgaande boomen, finaal een bosch, waarvoor men terugdeinst, doch waarachter eene wandelplaats schuilt, die prachtig kon zijn; en die, als er geen muziek gemaakt wordt, door niemand wordt bezocht, dan dooreen zestal oude mannen, eenige kindermeisjes, en enkele jongelingen die hun werk verzuimen.** Volkomen waar !
      -Die hooge wal, met het park daarachter gelegen, en te zamen het Valkenberg genoemd, behoort tot de dotatie van Z. K. H. Prins F rederik der Nederlanden, maar is door den Staat aan de gemeente in eigendom afgestaan. Door dat park • moet de Willemstraat in verband worden gebragt ' met de stad. Dit staat vast;— maar hoe? daaromtrent schijnt men het volstrekt nog niet eens te zijn.
     -De fraaije ruime hoofdingang in de St.Gatharinastraat blijft bestaan en 'k geloof niet dat er een betere, meer doelmatige kan gewenscht worden, daar de S^Catharina-straat in 't midden der stad is gelegen.



     Ge zult, waarde lezer, u nog wel herinneren dat, sedert onheugelijke tijden, op de goede oude Waag elk jaar een koppel ooyevaars kwam nestelen, die ons met hunne lange halzen het schoonste voorbeeld gaven van huwelijkstrouw,— en 't is u even als mij bekend, dat de politie te Breda zich nooit over die fidele beesten heeft te beklagen gehad. Waarom hebben die onschuldige langpooters onze kleine, rustige en bijgéloovige stad verlaten? Ik voor mij weet er niemendal van, maar wat ik wel weet, is, dat Breda van tijd tot tijd een visite ontving van trekvogels van ander allooi.- Er wonen in de S'-Gatharinastraat, Karrestraat en andere straten personen die my zeer goed zullen begrijpen.
      De eerste in rang, in stand en ook omdat hij de eerste was, is ongetwijfeld de graaf De Chambord en, God bewaar me, zoo ik te kort zou willen schieten aan den eerbied, dien doorluchtigen persoon verschuldigd. Ook zou ik hem met vrede gelaten hebben, ware 't niet dat hij de dwaasheid hadde begaan zich eenige honderde francs af te doen futselen, door twee lieve Communards, die hem gaarne met lood daarvoor dankbaar zullen willen . zijn, indien de gelegenheid zich soms mogt voordoen. O, die luidjes zijn buitengewoon dankbaar! Twijfelt ge soms, vraagt dan naar den patroon van een hunner, die nog in de Brugstraat woont,— voor het overige,— zij hebben Breda verlaten.
      De tweede,— behoort geheel tot mijn domein. Luistert:
     Op zekeren dag stapt aan 't Hotel de la Couronne een reiziger af, niet te goed en ook niet te slecht gekleed, maar een persoon van gedistingueerde manieren en beau parleur. 't Was de heer Ganta- loube, graaf De Malaret, verdediger van Troon en Altaar en wat meer zegt; Grand-maitre de ïordre du Sacré Cosur de Jé sus. De brave graaf kwam alhier om een Groot Conservatief Dagblad op te rigten. 't Hotel de la Couronne dat, nog kort geleden, goede, zeer goede zaken met den graaf62 De Chambord gemaakt had, koesterde het volste vertrouwen, zoodat De Malaret een tijd lang een lui, lekker leventje had. Maar de graaf had geen bagage hij zich (die heeren vergeten altijd hun koffers); daarenboven hadden de gargons van 't hötel opgemerkt dat de edele heer niet erg by kas was en bijzonder veel moeite had de blanchisseuse te betalen.
      Van argwaan heeft men spoedig wantrouwen. In 't kort, men verzocht den heer graaf beleefdelijk te willen verkassen.
      Wat te doen? zei De Malaret. Ma foi, 'k zal een huis huren,: meubelen aankoopen en de goede lui voorliegen dat alles dienen moet voor Europe conservatrice. Zoo gezegd, zoo gedaan. De deftige graaf begoochelde eenige goedgeloovigen, kreeg zijn x huis en meubels en daarbij een goede sortering wijnen en andere ververschingen.
      Ongelukkig dreef de Grootmeester van 't Heilig Hart ook handel in decoraties, en had de groote onvoorzigtigheid er een op den rug te hangen van een invloedrijk, geestelijk persoon, die weldra bemerkte dat hy was beet genomen. Er beweging over maken was onmogelijk,— de lagchers zouden niet op de hand van zijn eerwaarde geweest zijn. Men nam een beter middel bij de hand en,— eenige dagen later werd de handelaar in decoratief door een weldenkend blad als Chevalier d'Industrie van de ergste soort gesignaleerd. De zweepslag was snijdend. Er viel niet meê te spotten; daarom nam63 de Groot-meester zijn vlugt naar den Haag, in verlegenheid achterlatende de eigenaar van het huis, de meubelfabriekant, de koopman in gazornamenten, de wijnhandelaar, enz., enz., enz. «Jurant, mais un peu tard, qu'on ne les y prendraü plus.*
     De bekende Vos, die horlogie en geld had geleend, was niet het meeste te beklagen: Mademoiselle de dochter, had de functiën van Grande-maztresse van 's graven Huis vervuld en moest zich dus de gunsten, aan die hooge positie verbonden, getroosten.
      Men weet het overige: zonder munt of kruis in den Haag en 'Europe conservatrice naar de maan, zette men den edelmogenden graaf aan de deur van 't hotel de Turenne en de politie had de onbeleefdheid den strijder voor geloof eri zuivere beginselen over de grenzen te zetten.
      Maar, voor elke zonde is vergeving: sedert de Groot-meester van 't Heilig Hart is geworden, niemand weet hoe, redacteur en chef vm 't orgaan van Don Carlos, te Estella, is hy witter geworden dan sneeuw in 't oog van de weldenkende party. Dat brengt nu wel geen halven cent in den zak zijner schuldeischers, maar ik hoop dat zij zich niet meer zullen laten beetnemen door een roofvogel, welke kleur hij ook moge hebben.
      Evenwel, naauwelijks was vriend Malaret vertrokken, of hij had zijn pendant, in miniatuur altijd. Ik wil hier spreken van den heer Griselli de Vezzani, Baron de Rimini door de gratie van Napoleon* III eh van den Ex-koning van Napels; zich noemende geheimagent van kardinaal Antonelli. Die brave man kwam uitsluitend te Breda om een uitgever te zoeken voor 't drukken en debiteren van een pamphlet op Victor-Emmanuël, den Rooverkoning.
      Natuurlek behoorde De Rimini te huis in 't logement De Oude Prins, 's Avonds viel er een kleine woordenschermutseling voor tusschen den agent van kardinaal Antonelu en een oud Bredanaar, republikein pursang, en daar slechte beginselen den kop moeten worden ingedrukt, dronk de Baron menig glas Champagne op rèkening van den vurigen republikein.
      Maar de Baron De Rimini had, evenals De Malaret, vergeten iets mede te brengen, namelijk het manuscript en,— wat het ergste was, hy had geen geld om het te gaan halen.
      Goede zielen hadden de naïveteit den Baron 25 gulden te leenen en na dat oogenblik heeft men te Breda nooit meer iets gehoord van den Baron, noch van zyn manuscript.
      Zullen de goede inwoners* van Breda de les ter harte nemen? In elk geval heb ik meer op met den armen duivel die u komt voorliegen dat hy in 48 uren geen nat of droog gezien heeft, en u door allerlei onbeschaamdheden eenige geldstukken aftroggelt; dan met al de blanke chevaliers d:industrie, die met de liefste en grootste denkbeelden65 komen overwaaijen en de godsdienst gebruiken tot dekmantel hunner daden.
      De eerste soort is duizend maal minder gevaarlijk dan de tweede.



     Ginneken ligt omtrent een half uur ten zuiden van Breda.
      Er komt bijna niemand te Breda, of hij wil en zal naar de lieve plaatsjes Ginneken en 's Prinsenhage. En waarlijk— 't ife de moqite dubbel waard. Beide dorpen, Ginneken vooral, zullen misschien spoedig, zóó na hy de stad gebouwd hebben, dat de vreemdeling moeijelijk zal raden in welke gemeente hij zich bevindt. De wandelweg naar beide is kort, afwisselend en druk bezocht. ï Is mijn plan niet, waarde vreemdeling, u een breedvoerige beschrijving van die twee dorpen te geven, alleen wil ik eenige openbare plaatsen in dit nedrig boekje opteekenen die vermelding verdienen.
      Ik zal als echt Bredanaar met Ginneken beginnen.
      Ginneken is het dorp mijner voorliefde. Waarom? Dat weet ik niet. Ik geloof dat zulks komt omdat het digter bij Breda ligt, de omgang met de inwoners van Ginneken grooter is en het karakter van den Ginnekenaar meer met dat van den Bredanaar overeenstemt.
      Alvorens het eigenlijke Ginneken aan te doen, komt ge in den Zandberg. Nu moet ge niet denken dat het aldaar buitengewoon zanderig is, och neen, niet meer of minder dan in 't gansche Bredas Che land.
      De Zandberg behoort tot de gemeente Teteringen, 't geen waarlijk bijna niet te gelooven is, maar de geogrdphische verdeeling der dorpen Ginneken en Teteringen laat veel te wenschen over.
      Ge verbeeldt u dan ook reeds in 't Ginneken te zijn. Ge ziet door de openstaande deuren van twee koffijhuizen frissche tuinen en flinke ruimte en ik heb er niets tegen u te volgen, zoo ge eventjes uw tent bij de Erven Kwisthout of bij de Wed® van Alphen wilt opslaan. Zoo 't Zondag is zult ge wanen op een kermis te zijn, want dan dwarit en krioelt elke rang, stand en leeftijd der maatschappij in die plaatsen van uitspanning dooreen. Iets verder, d. w. z., enkele voetstappen, zijn we aan 't Casino, toebehoorende aan den heer Huese. Treedt gerust binnen, weest niet bevreesd, dat men u den toegang zal weigeren; dat gebeurt alleen Zondag-middag als de Sociëteit Casino den leden op een muziekuitvoering onthaalt.
      Weer enkele voetstappen, ge komt aan een onoogelyk bruggetje en daar is de grens van de gemeente Ginneken. Bij dat bruggetje zal ik niet stilstaan maar u verzoeken mij door het lieve dorp te volgen naar de befaamde Duivelsbrug. Verrukkelijker kan geen kofiijhuis gelegen zyn. De heldere Markstroom, het kasteel van Bouvegne, de verscheidene villa's, het mastbosch, de groene weiden, 't lacht u alles éven vrolijk en opgewekt toe.—67 't Herinnert u tevens aan 't verleden. DE LEGENDE VAN DE DUIVELSBRUG is bij de meesten mijner landgenooten bekend. Die ze nooit hoorden of lazen, verwijzen wij naar de berijmde vertelling, te verkrijgen bij den drukker dezer brochure voor den prijs van 10 Cent.
      Op uw weg naar de Duivelsbrug zijt ge langs het kerkhof gekomen, en als Nederlander en Vaderlander zult ge wel niet nalaten uw hulde te gaan brengen aan de dappere verdedigers en roemvol gesneuvelden in de voormalige Citadel van Antwerpen, op wier grafterp door Z. M. Willem III persoonlijk het Monument ter hunner nagedachtenis op den 30sUn November 1874 onthuld is.



     's Prinsenhage is een half uur ten westen van Breda gelegen en behoeft in het geheel niet voor Ginneken onder te doen. De bodem is vruchtbaarder, de natuur milder, 't Geen ik van de koffijhuizen in den Zandberg gezegd heb, dient ook voor het Duitenhuis, van den heer Baehr-Brunold. Dit Duitenhuis ligt een steenworp van Breda, De Bredanaars noemen 't ook wel eens de kindertuin, ' omdat de kleinen daar menige aangename uitspanning zoeken en vinden.
      De bloemisterij van de heeren Bruinzeels & C°, alsmede de bloem- en boomkweekerij van den heer Van Poppel hebben niet alleen goeden naam in Breda, maar zelfs in de hofstad, 't Is een wellust in die tuinen een dag door te 'brengen. Geen wonder dan ook. dat beide zeer druk bezocht worden. Wat het Liésbosch betreft, dat heeft een Europeesche vermaardheid. Ook woont in 's Prinsenhage eene iemand, die bijna even beroemd is, wier lof door honderde en hon derde monden wordt verkondigd, wier naam nog dagelijks op veler tong zweeft. En wie is die iemand? Niemand anders dan gij, beste Antje Wermenbol, die onuitputtelijk zijt in geestigheden en zoo velen aan u verpligt hebt. Gij, de vriendin van al wat bij u logeerde, de vrouw met even vasten wil als Von Bismarck, begaafd met buitengewoon doorzigt en menschenkennis. Even als alle groote geesten hebt gij ook zeker uwe eigenaardigheden of liever zwakheden,— de eenige die ik van u weet is, dat ge nimmer een glaasje bitter swtëer wóudt schenken, bewerende dat het infame dwarsdrijverij is, iets zoet te willen maken, wat door een ander met moeite is bitter gemaakt, 's Prinsenhage is u een gedenknaald verschuldigd. In afwachting daarvan ga het u wel, beste Ant.
      Een andere gedenkwaardigheid in 'sPrinsenhage is den zoogenaamden koningsboom welke op 12 Mei 1874, bij 't Zilveren Krooningsfeest van onzen geëerbiedigden vorst Willem III, op de markt aldaar geplant is door de meer dan 100-jarige vrouw Mathysen, nu kortelings overleden.



'T BREDACHE VOLKS -DIALECT .





«De taal ia 't volk.*

     Als wij, Bredanaars, enkele dagen bij familie of vrienden in Holland doorbrengen, hooren wij gefooonlijk allerlei goedgemeende maar «desniettemin* onbekookte opmerkingen op onze volkstaal: de goede Hollander vindt ze onverstaanbaar, onaangenaam voor 't gehoor, onbeschaafd; hij lacht met onze eigenaardige uitdrukkingen en noemt het onvergeeflijk dat wij de h niet uitspreken als 't noodig en wèl doen hooren als 't niet nóodig is. 't Is zonderling, redeneert hij, maar als ik te Breda kom, is 't mij of ik in België ben; waarin de vriend gelijk heeft; want ofschoon lange daarvan geschei­den, en hoezeer door den meerderen omgang en vermenging met Hollanders, de uitspraak wel wat verhollandiseerde, .heeft «evenwel nogthans” deze stad ten allen tijde zijn oorspronkelijk Vlaamsch- of liever Brabantsch dialect, en meer zuidelijk karacter, behouden.
      't Zal niet noodig zijn van A tot Z den vriend Hollander te wederleggen. Er zijn gelukkig personen, die beter met ons bekend zijn, die onze volkstaal hebben nagegaan en onderzocht,— en allen zijn tot de bekentenis gekomen, dat in Noord-Brabant over 't algemeen even zuiver, ja zuiverder nederlandsch wordt gesproken, dan in de hollandsche of noordelijke provinciën.
     'k W il trachten u dit duidelijk te maken
      De volkstaal is in Noord-Brabant in elk geval Nederlandsche, of beter gezegd, oorspronkelijk Nederduitsche taal, wat ook het Vlaamsch is: —de schrijftaal waarin een Vondel zijn trotsche dichterlijke denkbeelden en een Gats zijn vele wijsgeerige rijmen uitdrukte,— en heeft minder radbraking van woordenuitspraak ondergaan, dan wel het Hollandsch, dat van lieverlede verwrongen woorden heeft aangenomen, die daardoor wel taalregt hebben bekomen, doch niettemin altoos onzuivere spraak blijven.
      Om nu deze opmerking te staven, en den Bredanaar eens te verdedigen tegen de bedilzucht van meestal diegenen, die met den balk in eigen oog, den splinter in dat van een ander zien,— wil ik, hoewel 't mijn plan niet is, eene taalkundige verhandeling te geven, eenigzins wederleggen, dat hij, misschien met meer regt, 't plat-hollandsch zou kunnen critiseren.
      Hoezeer nu Breda, zooals alle andere steden, zijn eigendommelijke uitspraak of provincialisme71 heeft, zal men toch niet kunnen ontkennen dat zijn spraaktoon-geluid, eenigzins gazouillerend is,— die aangename toon, waardoor de Romanische taalstammen alsook inzonderheid 't Arabisch zich onderscheiden,— en voller en zwaarder is, dan 't Hollandsch, dat meer het scherpe en sissende der Noordsche of Germanische dialecten heeft, waarom een Voltaire, bij zijn bezoek in Holland, die daarvan enkel het geluid kon waarnemen, 't bestempelde met dat van den aldaar veelvuldig huishoudenden watervogel, en met de hem gewone satiriek zegde : ' Bonjour...... , canards,.......«
     Is het waar dat de niet zeer ontwikkelde Bredanaar, als steen des hollandschen aanstoots, over 't algemeen, door zijn meer vlug en accentueel spreken, veelal de h met a en omgekeerd verwart,— iets wat Neêrlahds hoofdstedeling (men zie't Amsterdamsch tijdschrift: de Praatvaêr van 1832), alsook, de stad, wier naam evenals Breda (breede-Aa) bijna gelijkluidend in de ooren klinkt te weten: Gouda, (Gouwe-en-Aa) in hooge mate gemeens heeft,— overdrijft de Hollander, met zekere bespotting, gewoonlijk die toeëigening aan Breda's meer beschaafd volksdialect, en 't is daarom dat mijne cicerone voor onze tentoonstellingbezoekers te Breda, daarvoor den handschoen opraapt, en critiek tegen critiek wil overstellen. Het oordeel wordt verder aan 't publiek overgelaten.
      Nu zou men hiertegen het spreekwoord wel kunnen aanvoeren: ja, «ieder meent dat zijn haan koning kraait-, of dat mijne eigenliefde mij evenals de Goesenaar doet zeggen:
     -Oese telle is e besse telle van ellemelle»;



Onze taal is de beste taal van allen.


doch daar Breda juist in 't midden der Neder- landschsprekende landen van België en Holland ligt en zoo door gemeenschap als vermenging van beide natiën, noch het te holle geluid van het Vlaamsch, noch 't sissende van 't Hollandsch heeft, en zijn uitspraak voor beide landen zich even verstaanbaar uitdrukt, zoo zal voorzeker door ieder onbevooroordeelde erkend worden, dat Breda eene door weinige plaatsen der Nederlanden geëvenaarde duidelijkheid in uitspraak en zuiverheid van bewoording heeft, ja, zelfs letterlijke naauwkeurig- heid in het doen hooren van naamval, werkwoord en vooral van dubbelklinker, wat eigenlijk eene eigenschap van 't Brabantsch of Vlaamsch spraakeigen is, en Limburg en Zeeland eveneens bezitten, waarom bij de in 1856 't eerst opgerigte welspraakslievende vereeniging : •» Declamatorica* in de openingsrede o.a. met regt mogt gezegd worden:


En zou Breda, daar op zijn grond
Zooveel van 't schoone en goede ontstond,
Dan achterblijven op welsprekendheidsgebied ?!
Met zuivren tongval mild begaafd,
Wiens duidltjkheid zijne uitspraak staaft,
Daar van Bataaf en Belg 'er 't spraakschoon zamenvliet?


     Alzoo spreekt de Bredanaar, * in gemeenzamen styl ook nog wel met het oud Nederduitsche du of doe en dijn, in plaats van gij, u of uw, b.v. "doe deugniet' wil de dat 's laten?— » doch gansch niet met het woordje je , welk woord slechts een gebrekkige uitdrukking van ge is,— en daarom alhoewel 't in Holland met algemeene stemmen, reeds van oudsher en nog wordt gesproken, nooit een lexiconist 't als echt Nederlandsch pers, v.n.w . in zijn woordenboek heeft durven opnemen, tot nu eindelijk de nieuwe spelling ” *revanche neemt en in hare goede bedoeling, om te schrijven gelijk men spreekt, met dubbele kracht 't aan alle Neêr- landschsprekenden voorschrijft, hoe wanluidend het ook klinkt als men b.v. zou hooren zeggen of schrijven: „hebbe je je jonge j aren jo lig . . . . . De tegoedertrouwe Bredanaar zou zeggen: èd de oew jonge jaren jolig enz........ ?



     (*) Tenzij 't er bij geval niet een is, die, zijne gezonde zoo­genaamde *erdappeltaal,” niet begrijpende, even in Holland geweest is, of onder militairen verkeerd, en, om naar zijne meening eens deftig uit te komen het Hollandsch zeer gemaakt napraat.
      De Protestantsche Bredanaar echter uitgezonderd, daar die gewoonlijk, hoewel heden minder dan vroeger, te kennen is aan zijn der vroegere staatskerkleer eigen stijfhollandschen bijbelspreektrant, soms zelfs meer dan de Hollander in natura zelve.
      Alzoo hoort men ook vele hedendaagsche onderwijzers, waarlijk belachelijk, vooral als 't Bredanaars zijn, zeer geaffecteerd het Hollandsch plat naar de letter napraten, ja , zelfs plus royaliste que le roi.



     En zooals hij het woordje je niet zegt, gebruikt hij 't ook weinig als verkleinwoord, maar heeft daarvoor nog altoos zijn ke behouden en zegt: boeks^e, manneke, koeike, kalfke, enz. Eveneens heeft hij veelal den oorspronkelijken klank der duitsche woorden, die men met dubbele a schrijft, behouden, en zegt.- erdappel, perd, stert, kèès, enz.
      Ook door zijn eenigzins vlugge uitspraak laat hij even als de Parisien met zijn vlug fransch spreken gemeenlijk vele letters in de woorden niet hooren, en verkort of slikt ze door ineensmelting van den volzin, zonder echter onduidelijk te zijn. Zoo zal hij b.v. zeggen: As't oe blieft meneer, — kan 'k er oe meê 'elpen.
      Dan blijft men te Breda nog altoos de ng als een zaamgetrokken neusklank uitspreken, welke klank men niet beter 'kan vergelijken dan met dien van 't Engelsche kin^, b.v. men zou 'er zeggen: de ' jon^-ens add'n hon^-er maar gin^-en 'unn'n gam/, enz.
      Doch waarin zijne woordduidelijkheid vooral uitkomt,— èene eigenschap van den onverbasterden Brabantschen en Vlaamschen tongval, die de Lim­burger en Zeeuw ook bezitten,— is, de smedigheid, waardoor hij 't verschil in uitspraak van den enkelen en dubbelen klinker zoo zéker doet hooren, dat men er gerust op kan afgaan om er naar te schrijven,— iets wat in 't algemeen de Hollanders, door hunne gewoonte van enkel- en dubbelklinker gelijkluidend uit te spreken, missen, en der halve bij hun schrijven den tweeklank moeten zoeken in de talen, waarvan vele woorden zijn afgeleid, en 'er zich evenwel toch nog dikwyls in vergissen.
     Zoo zal de Bredanaar van den echten stempel niet alleen zeer duidelijk 't verschil der woorden met enkele en dubbele e en o, maar ook dat tusschen ei en y laten hooren, b.v.


Wij hópen déze hóópen kólen (steen-) en déze kóölen (boeren-)
     alsóók dat kóper een kóóper zullen vinden, enz. Wèézen moeten wezen lydzaam. • Terwijl ik leZ (laid) lij ik, enz.


     Ook heeft hij (doch minder dan de Zeeuw) nog de uitspraak van i voor het woord hij, en zegt: «zul de 'm zegg'n dat i komt.»
      En waarin de Bredanaar met zijn Brabantsche of Vlaamsche spraak veel voor heeft op den Hollander, is, dat hij, als gezegd, zuiver naamval en tijdvervoeging uitspreekt en niet zooals de laatste, b. v. zal zeggen: *hai heb de hond van de koopman weggejaagd en geenszins zal men de boven alle kwaê- taal uitkomende hoofdgebreken der hollandsche hebbelijkheden van hem hooren, als: ik heeft, ik hebt, ik gaan, of ik gaat, ik schrijft', gij heb, gij loop, gij g a ; hij heb, hij koop, hij betaal, ja, men kan zeggen, met alle dergelijk werkwoorden; waarom mendan oók hier en daar in Hollandsche steden, bordjes voor ramen ziet, met opschriften van *hier krui men*, «hier mangel me«, en zoo al meer.


     (*) Ik herinner mij nog, hoe, op school zijnde, een der onderwijzers, een Hollander, hoewel zeer taalkundig, steeds twijfelde met het schrijven der dubbele e en o, doch alsdan zekerheidshalve den eersten den besten jongen, het woord in-dubio maar eens liet uitsproken en er zich dan op vergewiste.


      Ook een grove fout van den hollandschsprekende heeft de Bredanaar niet, t.w.: de gelijkluidendheid van hunnen en kennen: hij zegt nimmer: ik keiz in plaats van ik kan, en zal b.v. duidelyk zeggen: ik kan 't niet doen, want ik ken u niet,
     Evenmin zal hij falen in het gebruik van de verwante' medeklinkers b-p, d-t, f-v, g-ch, s-z , van welk misbruik eigenlijk de plathollandschspre- kende zijn sissende uitspraak ontleent; want de Bredas che mond kan niet zeggen, b.v.:


«Sie so, ik komt van te saai en ehaAn met mijn frouwtje in 'n pootje fare.


en welk taalgebrek als 't ware zoodanig den Hol- landschen mond heeft verwend, dat als hij Fransch spreekt, 't hem moeilyk wordt den daarin vereisch- ten zwaarderen en smeltenden toon na te zeggen; en, even als de Duitscher, de uitdrukking zal doen:


Ponsjoer matam, comment fous portez fous, enz.


wat met den Noord-Brabanter niet het geval zynde, diens uitspraak aldus vatbaar is tot het zeer zuiver nabootsen van elke taaluitspraak, doordien hij het zuiver geluid van alle letterklanken heeft, zooals die als articulaties van 't mondgeluid voor alle beschaafde talen zijn aangenomen. Mag hij de a wel wat vol als ao uitspreken, hij wijkt 'er zooveel niet van af dan anderen, die er bijna als de Engelschen een e of è van maken, en welk verschil trouwens niet enkel provincialisme is, maar zou men 't niet, om 't ten minste met zoon uitheemschen naamte doopen, citéïsme (gemeentedialect)? kunnen noemen, daal' toch elke Nederduitsche stad, zoofrei in België als Holland, een eigèndommelijk taalgeluid of accent laat hooren, waardoor de opmerker terstond zijn herkomst kan ontdekken; want zegt niet de Boschenaar een putteke en een pennekè? de Gentenaar een kupke en een scheutelke; de Antwerpenaar auwel wiil de gd 's zwaigen; en vooral de Vlaamschsprekende Brusselaar, die, hoe goed, doch misschien wat te veel naar de letter, hij ook zijn fransch spreekt, daarentegen niet zeer welluidend voor 't gekuischt gehoor zijn vlaamsch klapt, en inzonderheid zich terstond doet kennen, door den hem eigen tongslag bij de letters b, p, d, t, welke hij zeer eigenaardig, Voor 't Fransch zuiver noemt en voor 't Vlaamsch als bj, dj, pj en Ij noemt, en daarom zegt: tout, tout! laatj djatj is stjaan, enz., enz.
      Wanneer ik hier in bemerkingen omtrent alle spraakgeluiden zou treden, zou voor elke stad iets te vinden zijn en zou men voor Rotterdam zijn: ik laai pain (ik lijd pijn) voor Utrecht, waar men overigens goed spreekt, toch zijn: jochie en meisie, in Gelderland zijn: in de koetskamn rienn, in Friesland dit en in Limburg dat vinden, en alzoo misschien een geheel boek hebben te schrijven ten betooge, dat78 men de Bredasche uitspraak, met hare meerendeels den ongeletterde slechts aan klevende h- en «-verwarring niet zoo erg behoeft te bevitten, zooals men dat ge woon lijk doet.
      Daar ik nu in dit mijn pleidooi voor Breda's spraakeigen hoop niemand in zijn taaleigenliefde gekwetst te hebben, en alleen 't oude rijmtje in opmerking heb willen brengen, van :


Die vrij is van gebreken,
Mag van een ander spreken.


zoo om by een bezoek van Breda's Nijverheidstentoonstelling, de gew'one hekelzucht te betoomen, als om den meer op eenanders gebreken toegeeflijker bezoeker, naauwer bekend te maken met die stad en hare inwoners, alsook derzelver zeden en gewoonten, en bijgevolg genoodzaakt was, om over haar dialect wat te zeggen.
      Wil men er meer van weten, men spore 't weinig bekend werkje op : „ Breda's Taaleigen, door den taalkundige Hceufft.*

ENKELE AANTEEKENINGEN.





     Elbert, de 6de graaf van Stryen, heeft in 840, den eersten Burg aan de rivier de Aa gebouwd, welke alhier het breedste is en in de rivier de Mark valt; terwjjl W itger, de 7d« graaf van Stryen in 't jaar 888 Breda tot stad heeft gemaakt en met wallen omringd. Vandaar den naam Witger's stad. De oude Burg van Breda was «Brunestein» genaamd en vindt men daarvan nog de volgende aanteekenigen :

Anno milleno conteno bis duodeno,
Castrum de Breda ., cum tutti corruit alta .

     Breda is een der oudste en voornaamste steden van Noord-Brabant, gelegen in 't midden van 't land van dien naam, in een zeer gezonde en aangename streek, 8 uur ten westen van 's Hertogenbosch, 7 uur ten oosten van Bergen-op-Zoom, 10 uur ten noord-oosten van Antwerpen en 3 uur ten zuiden van Geertruidenberg. 's
      Hertogenbosch, is eerst in 1184 door Godefroi de 3de tot stad verklaard.
      In 1290 is het land van Breda verdeeld tusschen heer Raso van Gaveren, als zoon van vrouwe Sophia van Breda en. heer Geerard van ~Weezemale, zoon van genoemden Geerard en Beatrix van Breda, die nichten waren van vrouwe Elisabeth van Breda, in voege Breda aan den heer Raso bleef.
      Heer Jan van Polanen en van der Lek. heeft den lste April 1350 Breda van den Hertog van Brabant gekocht en aan de stad vele en groote voorregten geschonken.
      Het verdient hier ook wel bijzondere vermelding dat Breda is het eerste heerlijk goed, 't geen het Huis van Nassau in de Nederlanden als eigendom heeft bezeten en 't welk verkregen werd door het huwelijk van vrouwe Johanna van Polanen. 't Is dus de oudste parel aan Neêrland's Kroone.
      In 1534 (23 van Hooimaand), woedde in Breda een vreeselijken brand, waarbij o. a. het stadhuis, met 'al de oude schrifturen, door de vlammen verteerd werd. De aloude muur werd toen gesloopt en nieuwe wallen om de stad gelegd die veel tot hare vergrooting bijbragten.
      De kerk van St-Joris (Ginnekenstraat), de kerk aan de Aa (Haven), 't klooster van Su Catharinadaal en het Gasthuis waren voor dien brand allen buiten de stad gelegen.
      De groote kerktoren brandde af in 1694 (den l1de van Bloeimaand,) door den bliksem,, na ruim 200 jaren het lste stadsjuweel geweest te zijn. Spoedig werd hij opgebouwd, hoewel iets kleiner, en nu is men reeds lang en ijverig bezig aan de restauratie van 't geheel, 't welk ook meer dan noodig is geworden.
      Veelvoudig werd Breda veroverd. eerst in 1568 toen Alva's dwingelandij de stad verbeurd verklaarde; dan in 1581 den 28ste van Zomermaand door de inneming van Haultepen ; toen in 1625 lang verhongerd door Spinola ; terwijl de stad weer overging in handen van Prins Wilhelm in 1577, (den 4de van Wijnmaand); nogmaals herwonnen werd in 1590 (den 4de van Lentemaand), door Prins Maurits met het beroemde Turfschip en daarna in 1637, (den 10de van Wijnmaand) door Vorst Frederik weêr onder het wettige gezag teruggebragt werd; — dus driemaal genomen en driemaal hernomen.
      De bevolking op 31 December 1873 in« de gemeente Breda bedroeg 15,106 zielen. Hieronder begrepen als behoorende tot het leger 601 mannen met 249 vrouwen.


De werkelijke bevolking is verdeeld in:


1 Roomsch-Katholieke 11,949
2 Protestanten:
a.   Nederduitsch-Hervormden 2550
b.   Fransch- o f Waalsch-Hervormden. 114
c.   Engelsch of Presbyteriaansch Hervormden. . 1
d.   Evangelisch-Lutherschen....... 217
e.   Remonstranten. 10
f.   Doopsgezinden....... 22
3 Israëlieten. 205
4 Christelijk Gereformeerden. . 27
5 Niet genoemde gezindheden. 11
15,106


Het aantal Kiezers volgens de lijsten van 1874 bedraagt:
Voor leden van de 2de Kamer der Staten-Generaal 669
Voor leden van de Provinciale Staten 659
Voor leden van den Gem eenteraad 889

      Breda is de hoofdplaats van 't Arrondissement, heeft een Arrondissements-Regtbank; Kantongeregt; Rijks-Telegraafkantoor; Kamer van koophandel eq Fabrieken
     Er is niet veel handel; zeer weinig scheepvaart; Pinkster- kermis en najaarsmarkt (Allerheiligen); wekelijksche Markten (Dinsdags en Vrijdags); dagelijksche Markt. Er zijn nog al Fabrieken, als : 1 tapijtfabriek; 1 gouddraad- trekkerij en 4 passementfabrieken; 1 haardoek- en trijpfabriek; 1 damast- en pellenfabriek; 1 fabriek van ondergoed; 2 touwslagerijen; 2 kousenfabrieken; 2 blaauwverwerijen; 2 hoedenfabrïeken; 2 stroohoeden-fabrieken ; 1 pianofabriek ; 2 zoutziederijen : 1 zeepziederij ; 5 waskaarsenfabrieken ; 7 leêr- looijeryen; 4 olieslagerijen; 5 bierbrouwerijen; 5 mouterijen; 3 koren- en andere molens; 3 jujubes- chocolade- en pepermunt- fabrieken; 2 ijzergieterijen; 9 goud- en zilversmederijen; 13 kagchelfabrieken; 14 koper-en blikslagerijen; 1 spiegelfabriek; 13 meubelmakerijen ; 2 rijtuigfabrieken ; 5 lampenfabrieken; 2 jalousiën-fabrieken; 1 fabriek voor constructie van houten gebouwen; 1 chemisch droogwasch-fabriek en kunstverwerij; 1 steenhouwerij; 1 gasfabriek; 1 instrumentfabriek; 1 kunst- 682 lakkerij ; 7 boekdrukkerijen ; 1 fabriek van minerale wateren ; 4 steendrukkerijen; 6 boekbinderijen; enz.
      Op de grenzen en geslechte terreinen:
   2 lucifersfabrieken; 2 steenhouwerijen; i beetwortel-suikerfabriek; 1 ijzergieterij; 1 vernis- en lijmstokerij.
      Verder heeft men de Koninkl. Militaire Akademie; Teeken- Instituut; hoogere Burgerschool; Burger-avondschool; 16lagere Scholen; Gymnastiek-school.
      Nog : Breda's Genootschap van Wetenschap en Letterkunde; Maatschappij voor Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt in het arrondissement Breda ; Afdeeling'der Maatschappij ter bevordering van Nijverheid; Vereeniging van Industriëelen en Werk­bazen ; Vereeniging voor Handel en Nijverheid; Afdeeling der Maatschappij van Beeldende Kunsten; Departement der Maat­schappij Tot Nut van *t Algemeen; Vrijmetselaarsloge : Het vrij geweten, en vele andere nuttige inrigtingen.